Alle soortenPinguïnsPinguïns › Koningspinguïn

Koningspinguïn | Aptenodytes patagonicus

King Penguin | Pingüino rey

De koningspinguïn is na de keizerspinguïn de grootste pinguïn ter wereld: bijna een meter hoog, zilvergrijs op de rug, satijnwit op de buik, met twee helderoranje, lepelvormige vlekken aan weerszijden van de hals en een lange, licht gebogen snavel met een oranje streep. Hij duikt routinematig tot honderden meters diep en broedt in kolonies die van veraf als een donker tapijt op het strand liggen.

Koningspinguïn (Aptenodytes patagonicus)
Foto: Antoine Lamielle — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie klinkt een muzikaal, meerdelig getrompetter dat een paar met opgeheven kop in duet uitvoert en dat over het hele strand draagt. Op zee blijft het bij korte contactnoten; op land geven vogels daarnaast een zacht koerend geluid. Jongen roepen hun ouders met een individueel herkenbaar driedelig fluitje, waarop een terugkerende ouder zijn eigen jong in een kolonie van duizenden terugvindt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een zeer grote, rechtop staande pinguïn van bijna een meter, met een zilvergrijze rug, een zwarte kop en keel, een satijnwitte buik en aan elke zijde van de hals een feloranje vlek die als een lepel naar de borst afloopt en daar in geel vervaagt. De snavel is lang, slank en licht neerwaarts gebogen, zwart met een oranje tot roze streep over de onderkaak. Jonge vogels hebben bleekgele in plaats van oranje halsvlekken. De kuikens zijn eerst bijna naakt en zwart en later in dik bruin dons gehuld — de vroege ontdekkingsreizigers hielden ze voor een aparte 'wollige pinguïn'.

Verwarrings­soorten

De keizerspinguïn (Aptenodytes forsteri) is de enige echte verwarringssoort en komt in dit gebied niet voor: die is nog groter en zwaarder, heeft een kortere snavel en draagt de gele halsvlek lager en zonder oranje op de bovenborst. Op Macquarie-eiland staat hij tussen de ezelspinguïn (Pygoscelis papua), die kleiner is en een witte kruinband en oranjerode snavel heeft, en Schlegels pinguïn (Eudyptes schlegeli), die nauwelijks de helft weegt en oranjegele kuiven draagt. Een verdwaalde koningspinguïn op een Australisch of Nieuw-Zeelands strand is aan de oranje oorvlek en het formaat onmiddellijk vast te leggen.

Leefgebied

Subantarctische zee, waar hij ver van de kolonie foerageert op lantaarnvis en inktvis en daarvoor herhaald tot honderd à driehonderd meter diep duikt, met uitschieters tot ruim driehonderd meter. Kolonies liggen op vlakke, open stranden en moreneterrassen vlak achter de vloedlijn, waar geen nest wordt gebouwd: het ei rust op de voeten onder een broedplooi, zodat de vogel zijn hele broedduur staand doorbrengt en met ei en al kan lopen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen dit kaartvenster broedt hij alleen op Macquarie-eiland, waar de kolonie bij Lusitania Bay ruim zeventigduizend paren telt; daarbuiten liggen de kolonies op Zuid-Georgië, de Falklands, Marion, Prince Edward, Crozet, Kerguelen en Heard. In Nieuw-Zeeland geldt hij als dwaalgast: regelmatig op Campbell Island, zeldzaam op de Auckland-, Snares- en Antipodeneilanden, en met losse gevallen op het vasteland, onder meer bij Stewarteiland, Invercargill en zelfs de haven van Auckland. Ook op Tasmaanse en zuid-Australische stranden verschijnt af en toe een enkeling.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Het zekere adres in dit gebied is een expeditiereis naar Macquarie-eiland, waar de kolonie van Lusitania Bay vanaf zee al als een bruinzwart veld zichtbaar is. Wie een grote pinguïn op een strand in Nieuw-Zeeland of Tasmanië aantreft, kijkt eerst naar de halsvlek: fel oranje en lepelvormig maakt het deze soort, bleekgeel een jonge vogel. Laat zo'n vogel met rust — hij is bijna altijd aan het ruien en mag dan niet het water in.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met wereldwijd zo'n twee en een kwart miljoen broedparen en een stand die over het geheel toeneemt; op Macquarie-eiland herstelde de soort zich na de negentiende-eeuwse traankokerijen en is ze inmiddels weer talrijk. Het grote voorbehoud is de opwarming van de zuidelijke oceaan: het foerageergebied langs de polaire frontzone schuift van de kolonies weg, en al een kleine stijging van de zeewatertemperatuur drukt de overleving van volwassen vogels merkbaar. Op Île aux Cochons in de Indische Oceaan stortte een kolonie van een half miljoen paren in enkele decennia in.

Wetenschappelijke naam

Aptenodytes patagonicus | Miller, 1778

De Engelse tekenaar John Frederick Miller beschreef de soort in 1778 als Aptenodytes patagonicus, en voerde in datzelfde werk het geslacht Aptenodytes in, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. De geslachtsnaam is gevormd uit het Griekse a-, 'zonder', ptēnos, 'gevleugeld', en dutēs, 'duiker': de vleugelloze duiker. patagonicus betekent 'van Patagonië' en berust op de plaats waar de eerste vogels werden gezien, niet op een broedgebied — de soort broedt nergens in Patagonië. Het typemateriaal kwam van Zuid-Georgië. De Māori-naam tokoraki bestaat daarnaast.