Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Westelijke rotspinguïn
Westelijke rotspinguïn | Eudyptes filholi
Eastern Rockhopper Penguin | Pingüino de penacho amarillo
De westelijke rotspinguïn is de kleinste kuifpinguïn van dit gebied: een gedrongen vogel met een rood oog, een dunne gele wenkbrauwstreep die achter het oog in sprietige, hangende pluimen uitwaaiert, en de gewoonte om met twee poten tegelijk tegen steile rotswanden op te springen in plaats van te klimmen. Op Campbell Island stortte zijn stand in zeventig jaar met vijfennegentig procent in.
Geluid
Broedvogels geven een luide, pulserende balk die met een vast vertoon gepaard gaat: de kop gaat achterover, de snavel wijst omhoog en de flippers worden gespreid, waarna de roep in een reeks pulsen door de kolonie golft. Op land en op zee klinkt daarnaast een korte contactblaf. De roep is hoger en snerpender dan de diepe dreun van de Grote kuifpinguïn van de Antipoden (Eudyptes sclateri), die op dezelfde eilanden broedt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
De kleinste kuifpinguïn hier, vijfenveertig tot vijfenvijftig centimeter en twee tot vier kilo, met een zwarte rug, zwarte kop en keel en witte onderdelen. Een dunne, evenwijdige gele streep begint laag op het voorhoofd, loopt over het felrode oog en waaiert daarachter uit in losse, sprietige gele kuifveren die opzij afhangen. De snavel is oranjebruin en veel lichter dan bij de grotere kuifpinguïns, met een smalle roze rand kale huid aan de basis; bij Nieuw-Zeelandse vogels is tot negentig procent van de ondersnavel wit. Poten en voeten zijn vuilwit tot roze. Jonge vogels hebben een dofferere snavel en een korte, bleke wenkbrauwstreep zonder kuif.
Verwarringssoorten
De grootte alleen al scheidt hem van de andere kuifpinguïns van dit gebied: hij is een kop kleiner dan de Grote kuifpinguïn van de Snares (Eudyptes robustus) en die van de Antipoden (Eudyptes sclateri), die beide een veel zwaardere snavel hebben, een bredere wenkbrauwstreep die dichter bij de snavel begint, en geen losse kuif achter op de kruin. De fjordland-kuifpinguïn (Eudyptes pachyrhynchus) is eveneens groter, met een dof bruinrood in plaats van fel rood oog en witte streepjes op de wang. Schlegels pinguïn (Eudyptes schlegeli), waarmee hij op Macquarie-eiland samen broedt, is bijna het dubbele en heeft een wit gezicht. Buiten dit gebied liggen de twee andere rotspinguïns: de zuidelijke of westelijke soort (Eudyptes chrysocome) heeft zwarte in plaats van roze huid rond de snavelbasis en een wigvormig verbreed geel oogstreepje, en de noordelijke rotspinguïn (Eudyptes moseleyi) heeft buitensporig lange, hangende kuifveren die tot onder de keelgrens reiken.
Leefgebied
Subantarctische zee, waar de vogels op kril, kleine vis en inktvis duiken en buiten de broedtijd ver van land zwerven. De kolonies liggen op rotskust en steile hellingen die alleen langs vaste, uitgesleten paden te bereiken zijn; het nest is een kuil tussen keien, onder overhangende rotsen of in poa-tussock, vaak tientallen meters boven de branding. De klim erheen legde de soort haar naam op: springen met beide poten tegelijk in plaats van stap voor stap klauteren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen dit kaartvenster broedt hij op Campbell Island, de Aucklandeilanden, de Antipodeneilanden en Macquarie-eiland; buiten het venster ook op enkele eilanden in de Indische Oceaan. Op zee verspreiden de vogels zich over de subantarctische zone ten zuiden van Nieuw-Zeeland en Australië. Ruiende en verzwakte exemplaren komen regelmatig aan land op de zuidkust van het Zuidereiland en op Stewart Island, en zo nu en dan ook op Tasmaanse en Victoriaanse stranden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Op de broedplaats is hij te zien vanaf een subantarctische expeditiereis: Northwest Bay op Campbell Island en de kolonies van de Antipoden en Macquarie worden tussen november en januari aangedaan. Kijk daar naar de rotswanden zelf en niet naar het strand — deze soort landt in de branding en springt dan de rots op, en de vaste paden verraden de kolonie van veraf. Op een Nieuw-Zeelands zuidstrand in de nazomer is elke kleine kuifpinguïn met een fel rood oog en een dunne gele streep deze soort.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU), en het cijfer achter die letters is onthutsend: op Campbell Island werden in 1942 ongeveer achthonderdduizend paren geteld en in 2012 nog drieëndertigduizend tweehonderd, een terugval van vijfennegentig procent. De Antipoden en de Aucklandeilanden dragen samen minder dan drieduizend paren, en ook op Macquarie-eiland daalt de stand. De hoofdoorzaak wordt gezocht in het voedsel: opwarmend en armer wordend zeewater dwingt de vogels verder te foerageren, zodat jongen minder krijgen en volwassen vogels de rui slechter doorkomen. Daarbovenop komen predatie door zeeleeuwen en pelsrobben, het risico van olielozingen en mogelijke concurrentie met de visserij.
Wetenschappelijke naam
Eudyptes filholi | Hutton, 1879
De in Engeland geboren Nieuw-Zeelandse natuuronderzoeker Frederick Wollaston Hutton beschreef de soort in 1879 als Eudyptes filholi, naar een exemplaar van Campbell Island, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het epitheton eert Henri Filhol, de Franse arts en paleontoloog die met de Franse expeditie voor de Venusovergang van 1874 op Campbell Island verbleef. Het geslacht Eudyptes is van Vieillot, 1816, van het Griekse eu, 'goed', en dyptes, 'duiker'. Lange tijd gold de vogel als ondersoort van de zuidelijke rotspinguïn (Eudyptes chrysocome); AviList, dat deze gids volgt, voert hem als eigen soort. De Māorinaam tawaki piki toka betekent zoveel als 'de tawaki die tegen de rotsen op klimt'.


