Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Lachstern

Lachstern | Gelochelidon nilotica

Gull-billed Tern | Charrán piquigrueso

De lachstern is een bleke, breedgevleugelde stern met een korte, gitzwarte snavel die meer op die van een meeuw lijkt dan op de fijne priem van zijn verwanten. Hij duikt nauwelijks en jaagt in plaats daarvan laag over kwelders, wadplaten en vochtig grasland, waar hij insecten uit de lucht grijpt en krabben en hagedissen van de grond plukt. In dit kaartvenster is hij de Aziatische helft van een pas gesplitst soortenpaar, en veel zeldzamer dan zijn Australische tegenhanger.

Lachstern (Gelochelidon nilotica)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een raspend, tweelettergrepig kè-wik, dat wel met het geluid van een sabelsprinkhaan is vergeleken en dat helemaal niet als een stern klinkt. Boven een groep gaat het over in een hese, lachende reeks kek-kek-kek — daaraan dankt hij zijn Nederlandse naam. Buiten de kolonie is hij vaak zwijgzaam, en in Australië is hij dat vrijwel altijd: wie hem hier hoort, hoort meestal alleen dat ene korte kè-wik.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote, stevig gebouwde stern met brede vleugels, een korte en maar ondiep gevorkte staart en lange zwarte poten. De snavel is het kenmerk: kort, dik, recht en helemaal zwart, zonder rood of geel, en met een licht gebogen bovenkant die hem een meeuwachtig profiel geeft. In broedkleed draagt hij een gladde zwarte kap zonder kuif; in winterkleed is de kop wit met alleen een donkere vlek achter en om het oog, wat hem een merkwaardig kaal gezicht geeft. De bovendelen zijn lichtgrijs, lichter dan bij de meeste sterns, en de vleugelpunten blijven licht in plaats van donker af te steken. In vlucht oogt hij traag en meeuwachtig, met een kenmerkende zwenkende duikbeweging naar de grond in plaats van een duik in het water.

Verwarrings­soorten

Het grote probleem is de australische lachstern (Gelochelidon macrotarsa), tot voor kort als ondersoort van deze vogel beschouwd en pas onlangs als eigen soort erkend. Ze delen alles waaraan je de lachstern herkent: de korte dikke zwarte snavel, de zwarte poten, het bleke kleed, het jagen boven land. De Australische vogel is gemiddeld groter en zwaarder gebouwd, met een langere en forsere snavel, langere poten en een langere, dieper gevorkte staart, maar die verschillen zijn klein en overlappen, zodat een losse vogel in winterkleed in het veld vaak niet op naam te brengen is; areaal en broedgedrag doen in de praktijk meer dan het uiterlijk. De grote kuifstern (Thalasseus bergii) en de bengaalse stern (Thalasseus bengalensis) hebben een lange gele of oranje snavel en een borstelige kuif. De reuzenstern (Hydroprogne caspia) is veel forser en heeft een dikke koraalrode snavel — hij is de maatstaf waartegen de zware snavel van de lachstern juist bescheiden oogt. Sterns van het slag visdiefje (Sterna hirundo) en tara-stern (Sterna striata) zijn slanker, hebben een langere, dunnere snavel, een dieper gevorkte staart en storten zich wél in het water.

Leefgebied

Ondiep, open en vaak brak of zout terrein waarover hij kan jagen: droogvallende wadplaten, zoutkwelders en samphirevlakten (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib), de randen van mangrove, ondergelopen grasland en de oevers van ondiepe binnenmeren. Het water zelf is voor hem bijzaak; wat telt is een lage, open vlakte waarboven hij kan zwenken. Hij broedt in dit gebied niet — zijn kolonies liggen in Azië, aan zoutmeren en riviervlakten.

Verspreiding en trek

In dit kaartvenster een gast uit Azië: vogels van de ondersoort die in Zuid- en Zuidoost-Azië broedt bereiken in de Australische zomer de noordelijke en noordwestelijke kust, van de Kimberley en de Top End tot de Golf van Carpentaria, met losse waarnemingen verder zuidwaarts. Hoe talrijk hij werkelijk is, is sinds de afsplitsing van de australische lachstern niet meer goed te zeggen: veel oudere Australische meldingen onder de naam lachstern betreffen in feite de Australische soort. In Nieuw-Zeeland is hij hoogst zeldzaam, met maar een handvol gevallen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet boven het water maar erboven langs: kijk over een kwelder, een droogvallende plaat of een net ondergelopen weiland naar de vogel die laag en zwenkend jaagt en telkens even naar de grond duikt zonder nat te worden. Staat hij stil, kijk dan naar de poten — lang en zwart — en naar het profiel van de snavel tegen de lucht: kort, dik en stomp is de lachstern, lang en priemend is elke andere stern.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) dankzij een zeer ruim wereldareaal over vier werelddelen, al zijn verschillende regionale populaties klein en kwetsbaar. Zijn zwakke plek is het leefgebied: hij is gebonden aan ondiepe, seizoensgebonden zoutwater- en moerasvlakten, en die worden op grote schaal ingepolderd, ontwaterd of tot aquacultuur omgebouwd, vooral langs de Aziatische trekroute die de vogels naar Australië brengt. In Europa is de soort daardoor sterk achteruitgegaan; in dit gebied is hij te schaars om een trend aan af te lezen.

Wetenschappelijke naam

Gelochelidon nilotica | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Sterna nilotica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gelochelidon werd in 1830 ingevoerd door Brehm en is gevormd uit het Griekse gelan, 'lachen', en khelidon, 'zwaluw': de lachende zwaluw, naar dezelfde roep die hem in het Nederlands zijn naam gaf. nilotica betekent 'van de Nijl', en de typelocatie is inderdaad Egypte, waar de soort langs de rivier en de deltameren broedt. De Engelse en Spaanse naam gaan niet over de stem maar over de snavel: allebei noemen ze die meeuwachtig dik.