Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Opaalstern

Opaalstern | Gygis candida

Blue-billed White Tern | Charrán blanco

De opaalstern is spierwit, doorschijnend in tegenlicht en heeft een zwarte oogring die het oog onnatuurlijk groot maakt. Hij bouwt geen nest: het enige ei wordt in een oneffenheid van een kale tak, een vork of een richel gelegd, tot vijftien meter boven de grond. In dit gebied is hij de vogel van Norfolk en Lord Howe, waar hij tussen de huizen en in de araucaria's broedt.

Opaalstern (Gygis candida)
Foto: patrickkavanagh — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een kort, keelachtig hietsj hietsj, dat vogels boven de broedbomen naar elkaar roepen en dat op een fluisterend gekras lijkt. Bij verstoring van het ei of het jong klinkt een piepend, gerekt gekrijs, en twee vogels die om dezelfde tak twisten maken een snorrend, twangend geluid. Op zee zwijgt hij vrijwel altijd. In een kolonie hoor je vooral het geklapper van de vleugels van vogels die vlak langs elkaar draaien.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote, geheel witte stern van vijfentwintig tot eenendertig centimeter, met lange, spits toelopende vleugels die in tegenlicht doorschijnen alsof er licht doorheen valt. De snavel is recht tot licht opwaarts gebogen, zwart met een blauwe basis, en rond het oog ligt een zwarte ring die naar de snavel toe uitloopt, waardoor het oog groot en donker oogt. De poten zijn blauwgrijs met gele zwemvliezen en de staart is kort en gevorkt. Jonge vogels hebben een donkere vlek achter het oog, een grijsbruin geschubde mantel en een doffere snavel. Man en vrouw zien er gelijk uit.

Verwarrings­soorten

Verwarring is er nauwelijks: geen andere stern van dit gebied is geheel wit met een zwarte snavel en een zwarte oogring. De grijze noddy (Anous albivitta) van dezelfde eilanden is bleek blauwgrijs en niet wit, en heeft een donkere ondervleugel. De zwartnekstern (Sterna sumatrana) is wit met een zwarte band over het achterhoofd en een langere, diep gevorkte staart. Een uitgebleekte of gedeeltelijk witte stern van een andere soort kan op afstand voor een opaalstern doorgaan, maar mist de oogring en de opwippende blauwe snavelbasis. Volgens de indeling van deze gids heet de vogel van de Grote Oceaan Gygis candida; Gygis alba is de soort van de Atlantische Oceaan en komt hier niet voor.

Leefgebied

Warme, diepe zee is zijn jachtgebied: hij vist ver van de kust boven diep water, waar hij kleine visjes en inktvisjes van het oppervlak plukt en er meerdere dwars in de snavel mee terugvliegt. Broeden doet hij op oceanische eilanden, in bomen langs de rand van bos en in laanbomen, araucaria's en tuinbomen midden in de bebouwing. Ook rotsrichels en kliffen dienen als eilegplaats, maar de tak heeft de voorkeur. Het vasteland van Australië en Nieuw-Zeeland gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In dit gebied broedt hij op Norfolk, waar hij algemeen is en tot in de dorpskern nestelt, op Lord Howe, waar hij zich in de twintigste eeuw vestigde en sindsdien in aantal is toegenomen, en met een handvol paren op Raoul in de Kermadec-eilanden. Buiten de gids is hij verspreid over de tropische Grote en Indische Oceaan. Aan de oostkust van Australië en langs de Nieuw-Zeelandse kust verschijnt hij als dwaalgast, meestal na een cycloon, en dan vaak uitgeput of dood op het strand. Op de Nieuw-Zeelandse lijst geldt de broedpopulatie op de Kermadecs als uiterst kwetsbaar, eenvoudigweg omdat er zo weinig paren zijn.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Op Norfolk hoef je er niet voor de kust op: loop tussen september en maart door Kingston of langs de laanbomen bij Burnt Pine en kijk omhoog naar de vorken van de takken, want daar zit het ei of het jong, zonder nest. Kijk niet alleen naar wit tegen groen maar ook naar wit tegen wolk — in tegenlicht is de doorschijnende vleugel het opvallendste kenmerk. Blijf uit de buurt van de stam: een verstoorde oudervogel vliegt op en het ei ligt los.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een wijd verspreide wereldpopulatie en op Norfolk en Lord Howe een gezonde en op Lord Howe zelfs groeiende bezetting. Het gevaar zit in de eilandsituatie: ratten, katten en verwilderde dieren ruimen op een klein eiland in enkele jaren een kolonie op, en het losse ei op de tak is bij storm en bij verstoring even kwetsbaar. Op Raoul werden de laatste roofdieren in 2002 verwijderd, maar de kolonie daar telt nog altijd maar een handvol paren.

Wetenschappelijke naam

Gygis candida | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de vogel in 1789 als Sterna Candida, bij de sterns; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gygis werd in 1832 ingevoerd door Wagler, naar het Griekse guges, de naam van een niet nader bepaalde vogel uit de klassieke letteren. candida betekent 'stralend wit'. De typelocatie is Christmaseiland in de Grote Oceaan, het huidige Kiritimati; de gelijkgenaamde eilanden in de Indische Oceaan hebben er niets mee te maken.