Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Mallee-emoesluiper
Mallee-emoesluiper | Stipiturus mallee
Mallee Emu-wren | Maluro del Mallee
De mallee-emoesluiper is een vogeltje van vijf gram waarvan meer dan de helft staart: zes losse, haarachtige veren met wijd uitstaande baarden, als een emoeveer in het klein. Hij leeft uitsluitend in stekelige spinifexpollen onder de mallee-eucalypten van noordwestelijk Victoria en is een van de meest bedreigde zangvogels van Australië.
Geluid
Een uiterst hoge, ijle triller die dicht tegen de bovengrens van het menselijk gehoor ligt; veel waarnemers horen hem op latere leeftijd niet meer. Daarnaast een dun, piepend tsiep als contactroep, dat door de spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) heen bijna niet te plaatsen is. Wie de soort zoekt, zoekt in de praktijk naar dit geluid en niet naar de vogel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Veertien tot zestien centimeter, waarvan de staart alleen al ruim acht centimeter meet: zes slappe, draadvormige veren die los van elkaar staan en waar het licht doorheen valt. Het mannetje heeft een roestbruine kruin met zwarte strepen, een hemelsblauwe keel en bovenborst, een roestbruine, zwart gestreepte rug en een vaalbruine buik. Het vrouwtje mist het blauw en is op de keel vaalwit. Het geheel oogt eerder als een muis met een sliert erachteraan dan als een vogel.
Verwarringssoorten
Alleen de twee andere emoesluipers lijken werkelijk op deze soort. De roodkapemoesluiper (Stipiturus ruficeps) heeft een effen roestrode kruin zonder zwarte strepen en is nog iets kleiner; hij zit in de spinifex van het droge binnenland, honderden kilometers noordelijker. De roodooremoesluiper (Stipiturus malachurus) is duidelijk groter, heeft een langere staart en een bruinere, minder roestrode kruin, en bewoont vochtige kustheide en moeras in het zuiden en oosten. In de praktijk beslist het gebied: in de mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) met spinifexondergroei van noordwestelijk Victoria is dit de enige emoesluiper. Elfjes van het geslacht Malurus hebben een gewone, gesloten staart en zijn daaraan meteen te scheiden.
Leefgebied
Mallee-eucalyptus op zandgrond met een ondergroei van spinifexpollen (Triodia). Die pollen zijn zowel dekking als nestplaats, en dat stelt harde eisen aan de brandgeschiedenis: pas ongeveer een decennium na een brand zijn de pollen groot genoeg, en na enkele tientallen jaren vallen ze weer uiteen. Zijn leefgebied bestaat dus uit blokken mallee van de juiste ouderdom, die na elke brand opnieuw moeten aangroeien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen nog in noordwestelijk Victoria, in de grote reservaten van het Murray-Sunset-, Hattah-Kulkyne-, Wyperfeld- en Big Desert-gebied. In Zuid-Australië kwam hij voor in het Ngarkat-gebied, maar die populatie ging bij uitgebreide branden verloren; sindsdien zijn daar vogels uit Victoria teruggezet om de soort opnieuw te vestigen. Standvogel in de striktste zin: de vogels verplaatsen zich zelden meer dan enkele honderden meters, en een afgebrand blok raakt alleen opnieuw bezet vanuit een aangrenzend, onverbrand blok.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga bij windstil weer in het eerste ochtendlicht langs een rand van oude spinifex staan en luister; de vogel laat zich eerder horen dan zien, en wie het hoge geluid niet meer kan horen zoekt beter met een opnameapparaat en koptelefoon. Soms vliegt een groepje kort van de ene pol naar de volgende: een lage, fladderende vlucht van hooguit een paar meter, met de staart als een losse sliert erachteraan. Blijf op de paden, want de pollen zelf zijn de nestplaats.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN op de Rode Lijst). Het areaal is klein en versnipperd en de populatie telt naar schatting enkele duizenden vogels. De doorslaggevende bedreiging is brand: één grote, hete brand kan een heel blok in één keer onbewoonbaar maken, en de soort keert er pas na ongeveer tien jaar terug. Bij de branden van 2014 verdween de Zuid-Australische populatie. Het beheer draait daarom om een brandmozaïek, dus om voorkomen dat aaneengesloten oppervlakten tegelijk branden, en om herintroductie. Klimaatverandering, die grote branden waarschijnlijker maakt, werkt daar tegenin.
Wetenschappelijke naam
Stipiturus mallee | Campbell, 1908
Archibald James Campbell beschreef de vogel in 1908 in het tijdschrift The Emu, naar een exemplaar uit de mallee van Victoria, en gaf de soort eenvoudig de naam van dat landschap. Mallee is zelf een woord uit een Aboriginaltaal van Victoria voor de lage eucalyptussen die vanuit een ondergrondse knol met meerdere stammen tegelijk opschieten. Het geslacht Stipiturus voerde Lesson in 1831 in; de naam wordt verklaard uit Grieks stypos (steel, stengel) en oura (staart), naar de kale schachten van de staartveren. De Nederlandse en de Engelse naam wijzen op diezelfde staart: de veren lijken op die van een emoe.

