Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Roodkapemoesluiper
Roodkapemoesluiper | Stipiturus ruficeps
Rufous-crowned Emu-wren | Maluro coronirrufo
De roodkapemoesluiper is de emoesluiper van het droge hart van Australië: nog geen vijf gram, met een felle roestrode kruin en een staart van zes losse, haarachtige veren die langer is dan de rest van de vogel. Hij leeft in spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland), schuifelt van pol naar pol en laat zich zelden goed zien.
Geluid
Een zeer hoge, dunne triller van enkele seconden, in toonhoogte te vergelijken met het piepen van een muis; hij draagt slecht en gaat in de wind volledig verloren. Daarnaast een kort, scherp tsit als contactroep tussen de vogels van een groepje, meestal vanaf de grond tussen de pollen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Twaalf en een halve tot vijftien centimeter, waarvan de staart ruim de helft: zes draadvormige veren met wijd uitstaande baarden, die de vogel meestal schuin omhoog draagt. Het mannetje heeft een effen, helder roestrode kruin zonder zwarte strepen, een hemelsblauwe keel en bovenborst, een grijsbruine, fijn gestreepte rug en een roestbruine buik. Het vrouwtje heeft dezelfde roestrode kruin, maar mist het blauw en is op de keel vaalwit. Van de drie emoesluipers is dit de kleinste en de kortst gestaarte.
Verwarringssoorten
De mallee-emoesluiper (Stipiturus mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië)) heeft een zwart gestreepte kruin in plaats van een effen roestrode, is iets groter en komt alleen voor in de mallee van noordwestelijk Victoria; overlap is er niet. De roodooremoesluiper (Stipiturus malachurus) is duidelijk groter en langgestaarter, met een bruinere, gestreepte kruin, en bewoont vochtige heide en moeras langs de zuidelijke en oostelijke kusten. In de spinifex deelt deze soort het terrein met grassluipers van het geslacht Amytornis, zoals de witkeelgrassluiper (Amytornis striatus); die zijn fors groter, hebben een gewone, gesloten staart en een veel zwaardere snavel. Ook elfjes van het geslacht Malurus zijn aan die gesloten staart te scheiden.
Leefgebied
Spinifexpollen (Triodia) in het droge binnenland, zowel op vlakke zandgrond en duinen als op stenige hellingen en rotsige bergruggen. Hij komt ook voor in mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en ander acaciastruweel zolang daar spinifex onder staat. De pollen moeten groot en dicht zijn; kleine, jonge pollen kort na een brand worden gemeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Het droge binnenland van West- en Midden-Australië: van de Pilbara en North West Cape door het binnenland van West-Australië en het zuiden van het Noordelijk Territorium tot in het zuidwesten van Queensland en het noorden van Zuid-Australië. De verspreiding is onregelmatig en volgt de spinifex, met grote lege stukken tussen de bezette gebieden. Standvogel, maar na een brand verdwijnt hij plaatselijk jarenlang.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop langzaam door een veld met oude, grote spinifexpollen en let op beweging van de staart: vaak is dat losse draadje het enige wat boven de pol uitsteekt. De vogel vliegt liever niet en schuifelt van pol naar pol; wie hem opjaagt, ziet hooguit een korte, wiebelende vlucht van enkele meters. De beste kans ligt in het eerste uur na zonsopgang, als de groepjes roepen. Let op de kleding: spinifex prikt dwars door dunne broekstof heen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Het areaal is uitgestrekt en ligt voor het grootste deel in dunbevolkt gebied. Het grootste plaatselijke probleem is het veranderde brandregime: waar het kleinschalige branden door Aboriginalgemeenschappen is weggevallen, branden grote oppervlakten in één keer af en verdwijnen de oude pollen die de soort nodig heeft. Overbegrazing door vee en door ingevoerde kamelen werkt in dezelfde richting.
Wetenschappelijke naam
Stipiturus ruficeps | Campbell, 1899
Archibald James Campbell beschreef de soort in 1899 in The Victorian Naturalist, naar een vogel van North West Cape in West-Australië. ruficeps is Latijn voor roodkoppig, uit rufus (rossig) en de uitgang -ceps (-koppig); de Nederlandse naam vertaalt dat letterlijk. Het geslacht Stipiturus voerde Lesson in 1831 in; de naam wordt verklaard uit Grieks stypos (steel, stengel) en oura (staart), naar de kale schachten van de staartveren, die aan een emoeveer doen denken.



