Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Maorivliegenvanger
Maorivliegenvanger | Petroica macrocephala
Tomtit | Petroica carbonera
De maorivliegenvanger is de kleinste zwart-witte vogel van het Nieuw-Zeelandse bos: dertien centimeter, elf gram, met een kop die veel te groot lijkt voor het lijf eronder. Hij zit stil op een lage tak, draait alleen zijn kop, en laat zich dan plotseling op een prooi in de strooisellaag vallen. Van Northland tot Stewart Island staat hij in vrijwel elk bos, en hij komt vaak dichterbij dan je verrekijker aankan.
Geluid
Het mannetje zingt het hele jaar door, behalve in de rui: een ijl, hoog en snel swie-swie-swie-swie van twee tot drie seconden, dat dwars door de onderetage van het bos snijdt. Daarnaast geeft hij een reeks tsjk-tikken die eerst versnelt en dan weer uitzakt, vaak als antwoord op een buurman. Beide geslachten houden het hele jaar contact met korte, scherpe piepjes; die hoor je meestal eerder dan dat je de vogel ziet.
Opname: craig wilson — CC BY 4.0 · Millerton, Buller District, West Coast Region, New Zealand · xeno-canto
Herkenning
Een bolle vogel van dertien centimeter met een grote ronde kop, een kort snaveltje en een korte zwarte staart. Het mannetje van het Noordereiland is zwart op kop, rug en vleugel, met een witte vleugelstreep en een gaafwitte onderzijde; op het Zuidereiland, de Chathams en de Aucklands draagt hij tussen het zwart en het wit een gele tot oranje borstband. Beide geslachten hebben een wit vlekje aan de snavelbasis, in donker bos het snelste kenmerk. Bij het vrouwtje is al het zwart vervangen door bruin. De vorm van de Snares is geheel zwart en met twintig gram bijna dubbel zo zwaar.
Verwarringssoorten
De grotere Petroica-verwanten van de hoofdeilanden — P. longipes op het Noordereiland en P. australis op het Zuidereiland — zijn langpotiger en grijzer, missen de witte vleugelstreep en hippen over de bosbodem in plaats van vanaf een tak te loeren. De grijze zanger (Gerygone igata) is kleiner, egaal grijsgroen en blijft nooit stilzitten. Een vrouwtje in tegenlicht kan op een brilvogel lijken, maar mist de witte oogring van de grijsrugbrilvogel.
Leefgebied
Vrijwel elk gesloten bos: podocarpen-loofbos op het Noordereiland, zuidelijk beukenbos in de bergen van het Zuidereiland, kauribos in Northland. Daarnaast zit hij in aangeplante Pinus radiata, in manuka- en kanukastruweel en op goed beplante boerenerven. Van zeeniveau tot aan de bosgrens; in juni en juli zakken bergvogels een paar honderd meter langs de helling omlaag.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Beide hoofdeilanden en Stewart Island, en daarnaast een reeks eilanden met elk een eigen ondersoort: Little Barrier, Kapiti, de Chathams, de Snares en de Aucklands. Hij is nergens uit het bos verdwenen en heeft zich, anders dan veel andere inheemse zangvogels, buiten de roofdiervrije eilanden staande gehouden. Trekken doet hij niet; hij blijft zijn leven lang in hetzelfde bosblok.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Sta stil op een bospad en wacht: de maorivliegenvanger komt zelf kijken wie daar is, vaak tot op twee of drie meter. Een zacht psjt-geluid of een tik tegen een stam haalt hem er in seconden bij. Let bij elke vogel op het witte vlekje boven de snavel; dat is ook in het donkerste onderbos nog te zien, en het scheelt je de vraag of het een vrouwtje of een jonge vogel is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en op de Nieuw-Zeelandse lijst 'Not Threatened'. Hij is een van de weinige inheemse zangvogels die het buiten roofdiervrije eilanden goed doet: hij nestelt hoog en verborgen genoeg om een deel van de nesten buiten bereik van ratten en hermelijnen te houden, en hij gebruikt ook aangeplant bos. De ondersoort van de Chathams staat er anders voor: die geldt als Nationally Endangered en zit nog op een handvol eilandjes.
Wetenschappelijke naam
Petroica macrocephala | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de vogel in 1789 als Parus macrocephalus, bij de mezen; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Petroica werd in 1830 ingevoerd door Swainson, naar het Griekse petros, 'rots', en oikos, 'huis'. macrocephala is Grieks voor 'grootkoppig', van makros, 'groot', en kephale, 'kop'. Het type kwam uit Queen Charlotte Sound op het Zuidereiland; de Māori-naam luidt miromiro.




