Alle soortenZangvogelsAustralische vliegenvangers › Noordereilandvliegenvanger

Noordereilandvliegenvanger | Petroica longipes

North Island Robin | Petroica de isla Norte

De noordereilandvliegenvanger, in het Māori toutouwai, is het Noordereiland-tegenstuk van het vogeltje dat elke bezoeker van het Zuidereiland kent: klein, donkergrijs, op opvallend lange poten, rechtop op een lage tak. Hij is bovendien een van de weinige bosvogels ter wereld die uit zichzelf naar je toe komt — woel de strooisellaag om en binnen een minuut staat hij tussen je schoenen. Moleculair onderzoek liet zien dat de noordelijke en de zuidelijke vogels al vóór het Pleistoceen uiteenliepen, en AviList rekent hem daarom nu als eigen soort.

Noordereilandvliegenvanger (Petroica longipes)
Foto: Pseudopanax at English Wikipedia — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt zijn fullsong vanaf een hoge tak: luide, heldere, ver dragende frasen die vooral in de vroege ochtend klinken en zowel territorium als partnerwerving dienen. Beide seksen produceren daarnaast een zachte, binnensmondse subsong, het meest tijdens de rui. Het bekendste signaal is de downscale: een serie luide, in toonhoogte dalende chuck-noten van drie tot vier seconden, buiten het broedseizoen veruit het meest gehoord. Losse chuck-noten dienen als contactroep, en in snel tempo herhaald als alarm bij een rat of kat.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een vogel van 18 centimeter en ongeveer 35 gram, met een rechtopstaande houding en voor zijn formaat lange, dunne poten — dat silhouet op een lage tak of op de grond is het snelste kenmerk. Het mannetje is donkergrijs tot bijna zwart op kop en bovendelen, met bruinzwarte slagpennen en staart; veel contourveren hebben lichte schachten, wat van dichtbij een vage, fijne streping geeft. Onder is er een lichtgrijs-witte buikvlek die naar boven toe niet scherp begrensd is. Het vrouwtje is lichter en doffer grijs, met een kleinere en vagere buikvlek. Beide seksen kunnen bij opwinding een klein wit vlekje veertjes boven de snavelbasis opzetten. Mannetjes kleuren traag door en bereiken hun donkerste kleed pas na negentien tot tweeëntwintig maanden, dus lichte vogels zijn lang niet altijd vrouwtjes.

Verwarrings­soorten

De naaste verwant is de zuidereilandvliegenvanger (Petroica australis), waarvan deze soort tot voor kort niet werd onderscheiden. Gemiddeld is de noordelijke vogel iets zwarter en heeft hij een kleinere, koeler grijswitte buikvlek, terwijl de zuidelijke vaak een grotere, scherper afgezette, wit tot geelwitte buik toont — maar die verschillen overlappen sterk, variëren met leeftijd en geslacht, en zijn in het veld niet betrouwbaar. Zoals ook op de pagina van de zuidereilandvliegenvanger staat: het eiland beslist. De twee arealen raken elkaar nergens, dus een vliegenvanger op het Noordereiland en zijn eilanden is deze soort, een op het Zuidereiland of Stewarteiland de andere. Verwarring met een ander bosvogeltje is er nauwelijks: Petroica macrocephala (miromiro, de tomtit) is duidelijk kleiner en korter van poot, heeft een dikke ronde kop en, bij het mannetje, een scherp wit vleugelstreepje en een scherp afgesneden witte borst — kenmerken die de vliegenvanger alle drie mist. De uitgestorven verklaarde bosvogeltjes van de Chathams (Petroica traversi) komen op het vasteland niet voor.

Leefgebied

Volgroeid inheems bos is de kern: podocarpen-loofbos en, hoger en centraal op het eiland, zuidelijk beukenbos, van zeeniveau tot aan de boomgrens. Hij vraagt vooral een gesloten kroondak boven een open, vochtige bosbodem, want hij jaagt zittend vanaf een lage tak en pakt zijn prooi van de grond. Dat maakt hem ook geschikt voor oud, dicht struweel en — opvallend voor een endeem — voor volgroeide exotische naaldhoutplantages, waar hij onder dennen met een open bodemlaag prima gedijt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Standvogel op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland; de metingen voor deze gids geven tien van de tien jaren aanwezigheid en 21.201 waarnemingen in de regio, met acht eenheden standvogel en één eenheid broedvogel. De verspreiding is opvallend lapjesgewijs: het zwaartepunt ligt centraal, ruwweg van Taranaki tot de Bay of Plenty, met verder eilandpopulaties op Little Barrier (Hauturu), Kapiti en Moturua en herintroducties in omheinde reservaten als Zealandia bij Wellington, Bushy Park bij Whanganui en Moehau op Coromandel. Grote oppervlakten ogenschijnlijk geschikt bos blijven leeg — predatie, niet habitat, bepaalt hier de kaart. Merk op dat dit een verse AviList-splitsing is waarvan de ruggengraattaxonomie van GBIF nog niet is bijgetrokken; de cijfers hierboven zijn daarom apart op ondersoortniveau gemeten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Sta stil en schraap met je schoen de bladeren en de humus open. Doe dat een halve minuut en je hoort eerst een enkele chuck en zie dan de vogel aan komen hippen, vaak tot op minder dan een meter. Wie hem zoekt door te lopen en te turen vindt hem meestal niet; wie blijft staan en rommelt in de strooisellaag wordt bijna altijd gevonden.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort als niet bedreigd (LC) en schat de populatie op meer dan tienduizend vogels, maar de Nieuw-Zeelandse nationale lijst is strenger en noemt hem afnemend. Het probleem is bekend en eenzijdig: geïntroduceerde zoogdieren. Scheepsratten, hermelijnen, wilde katten en possums (klimbuideldier) plunderen nesten en doden juist de broedende vrouwtjes, waardoor onbeheerde populaties scheeflopen naar een overschot aan mannetjes en langzaam leeglopen. Waar intensief met vallen en gif wordt gewerkt, of op predatorvrije eilanden, herstelt de soort snel, en hij is daardoor een geliefde kandidaat voor herintroductie in omheinde reservaten.

Wetenschappelijke naam

Petroica longipes | (Lesson & Garnot, 1827)

De Nederlandse naam volgt het patroon van de gids en noemt eenvoudigweg het eiland waar de vogel zit, tegenover de zuidereilandvliegenvanger. De soortnaam longipes betekent 'langpotig' en slaat op het meest bruikbare veldkenmerk dat de vogel heeft. De Māori-naam toutouwai geldt voor beide eilandsoorten. Ondanks de Nederlandse en Engelse naamgeving is dit geen vliegenvanger en geen roodborst maar een Australaziatische Petroicidae, een familie die met geen van beide verwant is.