Alle soortenZangvogelsKwikstaarten en piepers › Nieuw-zeelandse pieper

Nieuw-zeelandse pieper | Anthus novaeseelandiae

New Zealand Pipit | Bisbita neozelandés

De nieuw-zeelandse pieper, de pīhoihoi van de Māori, is de enige inheemse zangvogel van Nieuw-Zeeland die je op kale grond ziet lopen: een slanke bruine, gestreepte vogel met een lange staart die hij aanhoudend op en neer wipt. Hij rent voor je uit over een grindrivier, een duin of een bergweg, gaat rechtop staan om te kijken, en vliegt dan weg met witte staartzijden en een dun roepje. Voor de invoer van de veldleeuwerik was hij daar de enige vogel in die rol.

Nieuw-zeelandse pieper (Anthus novaeseelandiae)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een dun, scherp en iets opklimmend tsiep of tsjwiep, doorgaans gegeven bij het opvliegen en in de golvende vlucht, en het geluid waarmee de vogel zichzelf het vaakst verraadt. De zang is een eenvoudige, weinig gevarieerde herhaling van diezelfde hoge noot, tot een korte reeks aaneengeregen en gebracht vanaf een steen, een hekpaal of een oeverwal, soms tijdens een korte klimvlucht. Wie hem naast een zingende veldleeuwerik hoort, merkt meteen het verschil: de leeuwerik ratelt minuten aan één stuk hoog in de lucht, de pieper geeft korte, ijle zinnetjes van een lage post.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke grondvogel van zeventien tot negentien centimeter, met lange poten, een lange staart en een dunne spitse snavel. De bovenzijde is warmbruin met donkere lengtestrepen, de onderzijde vuilwit tot okerkleurig met een fors gestreepte borst en een ongestreepte buik. Op de kop staat een duidelijke lichte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep, met daaronder een donkere baardstreep langs de lichte keel. De buitenste staartpennen zijn wit en lichten op bij het wegvliegen. Het beslissende kenmerk is het gedrag: hij loopt en rent, hipt nooit, staat kaarsrecht stil om rond te kijken, en wipt daarbij voortdurend met de staart. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit, jonge vogels zijn iets schubbiger op de bovenzijde.

Verwarrings­soorten

Eerst het eerlijke antwoord: de australische pieper (Anthus australis) is in het veld vrijwel niet van deze soort te onderscheiden. De twee zijn pas onlangs gesplitst uit wat daarvóór als één wijdverbreide soort gold — de vogel die in oudere boeken Richard's Pipit heet — en het onderscheid berust op gemiddelde maten en tinten waar een waarnemer in het veld niets aan heeft. Ze worden dan ook praktisch uitsluitend op verspreidingsgebied gescheiden: een pieper in Nieuw-Zeeland is deze soort, een pieper in Australië de andere. De belangrijke verwarring is die met de ingevoerde veldleeuwerik (Alauda arvensis), die in Nieuw-Zeeland in hetzelfde land voorkomt en veel talrijker is: de leeuwerik is gedrongener en korter van staart, heeft een stompe kuif en een zwaardere snavel, wipt niet met de staart en laat in de vlucht een witte achterrand langs de vleugel zien. De varengrasvogel (Poodytes punctatus) leeft in dichte begroeiing in plaats van op open grond, heeft een rafelige, spitse staart zonder wit en vliegt slechts kort en laag.

Leefgebied

Open terrein met lage of afwezige begroeiing: tussockgrasland, de brede grindbeddingen van de vlechtende rivieren, duinen en zandstranden, kaalgegraasd weiland, bermen en ongeasfalteerde wegen, kaalgeslagen en pas afgebrand land, en de alpiene kruidenvelden tot ver boven de boomgrens. Hij nestelt op de grond in een kommetje onder een graspol, een steen of een overhangende oever. Waar dichte begroeiing of hoge exotische grassen het terrein sluiten, verdwijnt hij.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid over het Noorder- en Zuidereiland en op veel buiten- en kusteilanden, met eigen vormen op de Chathams, de Auckland- en Antipodeneilanden. De dichtheden zijn het hoogst waar open terrein en weinig menselijke druk samenvallen: de grindrivieren en de hoge tussockvlakten van het Zuidereiland, de kust van Northland, en de eilanden zonder ratten en katten. Op het dichtbevolkte boerenland van het Noordereiland is hij daarentegen plaatselijk sterk teruggelopen en vaak alleen langs wegen en op kustduinen over. Buiten Nieuw-Zeeland en zijn eilanden komt de soort in de opvatting die deze gids volgt niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd langzaam een grindweg langs een tussockvlakte of een vlechtende rivier en let op elke bruine vogel die vóór de auto uit wegrent in plaats van weg te vliegen. Blijft hij staan en gaat de staart op en neer, dan heb je hem. Vlieg hij weg, kijk dan naar de vleugelachterrand: wit betekent veldleeuwerik, geen wit betekent pieper. In de vroege ochtend zitten ze graag op de warme grindbedding of op een hekpaal langs de weg.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, maar in Nieuw-Zeeland zelf wordt de soort in de nationale bedreigdheidsbeoordeling als achteruitgaand aangemerkt, en dat is het cijfer dat er lokaal toe doet. De oorzaken zijn de gebruikelijke twee: ingevoerde roofdieren, vooral katten, hermelijnen en ratten, die een grondbroeder zonder verweer zwaar treffen, en het sluiten van zijn leefgebied — omzetting van ruw grasland in intensief weiland, overwoekering van grindrivieren en duinen door exotische grassen en lupine, en verdwijning van open bermen. Op eilanden waar roofdieren zijn uitgeroeid en op de uitgestrekte tussockvlakten van het Zuidereiland houdt hij goed stand.

Wetenschappelijke naam

Anthus novaeseelandiae | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de vogel in 1789 als Alauda novae Seelandiae, naar materiaal uit Queen Charlotte Sound op het Zuidereiland, verzameld tijdens de reizen van Cook; omdat de soort naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Anthus gaat via het Latijn terug op het Griekse anthos, een kleine grasvogel bij Plinius en Aristoteles, en novaeseelandiae betekent 'van Nieuw-Zeeland'. De Māori-naam pīhoihoi is klanknabootsend en geeft het dunne roepje weer. Lang gold deze naam voor één soort die van Azië tot Australië en Nieuw-Zeeland verbreid zou zijn; in de taxonomie die deze gids volgt is die verzamelsoort opgedeeld en geldt novaeseelandiae nog uitsluitend voor de Nieuw-Zeelandse vogels.