Alle soortenZangvogelsKwikstaarten en piepers › Witte kwikstaart

Witte kwikstaart | Motacilla alba

White Wagtail | Lavandera blanca

De witte kwikstaart is een strak zwart-wit-grijs getekende, langstaartige vogel die over kale grond rent en daarbij onafgebroken met de staart wipt. In Europa en Azië is het een van de bekendste vogels van dorpen, daken en oevers; in Australië en Nieuw-Zeeland is hij een echte zeldzaamheid — een enkele verdwaalde trekvogel per jaar, die dan meestal op een parkeerterrein, een oeverwal of een rioolvijver staat en daar door iedereen wordt komen bekijken.

Witte kwikstaart (Motacilla alba)
Foto: MilanIlic553 — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een helder, tweelettergrepig tsie-lip of tsjiezzik, scherp en doordringend, bijna altijd gegeven in de golvende vlucht en vaak het enige wat een overvliegende vogel verraadt. Hij klinkt zuiverder en minder schor dan de rauwe roep van de oostelijke gele kwikstaart. De zang is een haastig, twitterend mengsel van diezelfde roepnoten en wat krassende tussenvoegsels, maar in het overwinterings- en dwaalgebied krijgt een waarnemer die vrijwel nooit te horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke kwikstaart van zestien en een halve tot negentien centimeter, waarvan de staart bijna de helft uitmaakt: langer dan bij de gele kwikstaarten en voortdurend op en neer bewogen. De volwassen vogel is grijs op de mantel, wit op de buik en flanken, en zwart op kruin, keel en borst, met een scherp begrensd wit gezicht en voorhoofd — een tekening die in het veld meteen opvalt en geen spoor van geel bevat. In winterkleed krimpt het zwart op de keel tot een halvemaanvormige borstband. De vleugel is donker met twee brede witte banden en witte zomen, de staart zwart met witte buitenpennen, en de poten zijn zwart. Jonge vogels zijn grijsbruin met een vuilwitte keel en een vaag getekende borstband. De vlucht is diep golvend, het loopgedrag snel en rusteloos, vaak langs de waterlijn of over asfalt.

Verwarrings­soorten

Binnen het geslacht is verwarring in dit deel van de wereld onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten. De grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) heeft een nog langere staart en een grijze bovenzijde, maar altijd een fel gele onderstaart en gele stuit, en vleeskleurige poten. De oostelijke gele kwikstaart (Motacilla tschutschensis) is olijfkleurig en geelachtig en mist elk zwart op keel en borst. Binnen de soort zelf zit wel een probleem: de vogels die Australië en Nieuw-Zeeland bereiken kunnen tot verschillende Aziatische ondersoorten horen — ocularis met een zwarte oogstreep, leucopsis met een geheel wit gezicht en zwarte mantel, lugens met een zwarte rug — en die verschillen bepalen welke herkomst een geval krijgt. Ten slotte de naamsverwarring met de tuinwaaierstaart (Rhipidura leucophrys), in het Engels Willie Wagtail: ook zwart-wit en ook staartwippend, maar een waaierstaart die vanaf een tak insecten uit de lucht plukt en een breed uitgespreide staart heeft.

Leefgebied

Kale, vlakke, open grond bij water: rivieroevers en grindbanken, slikranden en estuaria, de randen van rioolvijvers en waterbergingen, maar in het gewone areaal net zo goed daken, parkeerterreinen, erven, wegen en grasvelden midden in de bebouwing. In Australië en Nieuw-Zeeland worden de weinige vogels vrijwel altijd op zulke door mensen gemaakte kale oppervlakken gevonden: een havenkade, een rioolvijver, een sportveld of een afgelegen landingsbaan.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt over vrijwel heel Europa, Noord-Afrika en Azië tot Kamtsjatka en Alaska, met een reeks duidelijk verschillende ondersoorten; de noordelijke en oostelijke populaties trekken naar Zuid-Azië en Afrika. In Australië is hij een zeldzame dwaalgast, met een klein aantal aanvaarde gevallen, voornamelijk langs de noord- en westkust en in de zuidelijke zomer; in Nieuw-Zeeland eveneens een dwaalgast met enkele gevallen. De vogels die zo ver afdwalen komen uit de oostelijke, Aziatische populaties die normaal in Zuidoost-Azië overwinteren en te ver doorschieten.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Reken er niet op dat je hem toevallig tegenkomt — een geval wordt in Australië doorgaans gemeld en blijft vaak dagen tot weken op dezelfde kale plek hangen, dus volg de zeldzaamhedenberichten. Sta je er, let dan naast het patroon van zwart en wit vooral op de ondersoortkenmerken: heeft de vogel een zwarte oogstreep, een geheel wit gezicht, een grijze of een zwarte mantel? Dat is precies wat de beoordelingscommissie wil weten, en het is met één goede foto vast te leggen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de soort is over Europa, Azië en Noord-Afrika wijdverbreid en talrijk, past zich uitstekend aan menselijke omgevingen aan en profiteert van verharde oppervlakken en van vee. In Australië en Nieuw-Zeeland is er geen sprake van een populatie die beschermd zou moeten worden; het gaat om losse dwaalgasten. De betekenis van die gevallen is vooral dat ze laten zien hoe ver noordelijke trekvogels in een enkel seizoen kunnen doorschieten.

Wetenschappelijke naam

Motacilla alba | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 met Zweden als typeland. Motacilla is het Latijnse woord dat Varro voor deze vogel gebruikte, gevormd bij motare, heen en weer bewegen; de uitgang werd later ten onrechte als een verkleinvorm van 'staart' opgevat, wat toevallig precies de vogel beschrijft. alba betekent 'wit'. De soort telt een ongewoon groot aantal ondersoorten die in kop- en rugtekening sterk verschillen en waarvan er verscheidene ooit als eigen soort zijn behandeld; de vogels die Australazië bereiken horen bij de oostelijke vormen, zodat een dwaalgast hier bijna altijd ook een determinatievraag op ondersoortniveau met zich meebrengt.