Alle soortenZangvogelsKwikstaarten en piepers › Grote gele kwikstaart

Grote gele kwikstaart | Motacilla cinerea

Grey Wagtail | Lavandera cascadeña

De grote gele kwikstaart is een van de zeldzaamste dwaalgasten van dit gebied: een Euraziatische beekvogel met een staart die langer is dan bij enige andere kwikstaart, en met een citroengele onderstaart die bij elke wip oplicht. Hij broedt van Europa tot Japan en overwintert in Zuidoost-Azië; een enkeling schiet door tot in de Australische wateren. De gids telt er sinds 2015 zevenentwintig gevallen.

Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Foto: Petr Knezour — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is een scherp, metaalachtig tsjie-tsjie of tsit-tsit, in de vlucht uitgestoten en hoger en snijdender dan dat van de witte kwikstaart; boven een kreek of een rioolbekken hoor je het vaak eerder dan dat je de vogel ziet. Op de grond klinkt een kort, hard tsjik bij onraad. Zingen doet hij hier niet: de ijle, trillende zang hoort bij het broedgebied aan de andere kant van de evenaar en komt in Australië niet voor.

Luister: ZangXC1007991

Opname: Lionel TRIBOULIN — CC0 · Ponte dos Sete Arcos (near Nordeste), Nordeste, Açores, Portugal · xeno-canto

Herkenning

Een uitgesproken slanke kwikstaart van achttien tot negentien centimeter, waarvan de zeer lange staart het grootste deel uitmaakt; die staart gaat onophoudelijk op en neer. De bovendelen zijn blauwgrijs, de stuit is geelgroen en de onderstaartdekveren zijn helder citroengeel; de rest van de onderzijde is bleker geel tot vuilwit. Boven het oog loopt een witte streep. De poten zijn vleeskleurig tot bruinroze. Het mannetje heeft in de broedtijd een zwarte keel, maar bij ons zijn de vogels bijna altijd in het gedempte niet-broedkleed.

Verwarrings­soorten

De witte kwikstaart (Motacilla alba), zelf ook een dwaalgast, is zwart, wit en grijs en heeft nergens geel. De gele kwikstaarten van het complex rond Motacilla flava zijn korter van staart, groener op de rug en hebben zwarte in plaats van vleeskleurige poten. De tuinwaaierstaart (Rhipidura leucophrys) heet in het Engels weliswaar een kwikstaart, maar is zwart met een witte buik en zwaait zijn staart zijwaarts, niet op en neer. De Nieuw-zeelandse pieper (Anthus novaeseelandiae) is bruin en gestreept.

Leefgebied

Waar hij hier opduikt, is het bij stromend of ondiep zoet water: kreken met een stenige bedding, dammen, rioolwaterbekkens, drainagegoten, vijvers in parken en de rand van een estuarium. Hij loopt over natte stenen, over drijvend blad en over beton, en pikt insecten van het wateroppervlak. Beschutting zoekt hij niet; hij blijft in het open en laat zich vaak dicht naderen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In Australië een zeldzame dwaalgast, met het zwaartepunt in het noorden en westen en op de Australische eilanden in de Indische Oceaan, waar hij bij de doortrek uit Azië het dichtst in de buurt komt; van het zuidoosten zijn maar enkele gevallen bekend. De waarnemingen vallen vrijwel alle in de Australische zomer, van oktober tot april, wanneer de soort in Azië overwintert. In Nieuw-Zeeland is hij hooguit een hoge uitzondering.

  • Zomergast (broedt hier niet)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk bij elke onbekende kwikstaart eerst naar de staart en dan naar de poten: te lang voor een gewone kwikstaart, en vleeskleurig in plaats van zwart, en de zaak is bijna rond. Loop in de Australische zomer de rand van een rioolwaterbekken of een kreekbedding af en let op het scherpe tsjie-tsjie van een vogel die voor je uit opvliegt en verderop weer neerstrijkt. Meld elk geval; het zijn er heel weinig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een zeer groot broedareaal van West-Europa tot Japan en een populatie die als stabiel geldt. Voor dit gebied is de soort te schaars om er iets voor te kunnen doen of aan te hoeven doen: zij broedt hier niet en heeft hier geen leefgebied nodig. Wat de aantallen op de lange duur bepaalt, gebeurt aan snelstromende beken op het noordelijk halfrond — vervuiling, wateronttrekking en het rechttrekken van bergbeken.

Wetenschappelijke naam

Motacilla cinerea | Tunstall, 1771

Tunstall beschreef de vogel in 1771 als Motacilla cinerea, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven; de typelocatie ligt in Groot-Brittannië. Motacilla was bij de Romeinen de naam voor de kwikstaart en is gevormd bij motare, 'heen en weer bewegen'; het achterstuk -cilla is later ten onrechte als 'staart' gelezen. cinerea betekent 'asgrauw', van cinis, 'as', naar de grijze bovendelen.