Alle soortenZangvogelsKwikstaarten en piepers › Oostelijke gele kwikstaart

Oostelijke gele kwikstaart | Motacilla tschutschensis

Eastern Yellow Wagtail | Lavandera amarilla

De oostelijke gele kwikstaart is een slanke, langstaartige vogel van natte, kale grond die in Australië alleen als bezoeker uit het noorden verschijnt: hij broedt in het uiterste noordoosten van Siberië en in Alaska en overwintert in tropisch Azië, en elk zuidelijk zomerhalfjaar bereikt een kleine stroom vogels de noordkust van Australië. Daar loopt hij op slikranden, rioolvijvers en kortgegraasde weiden, altijd in beweging en altijd met die eindeloos wippende staart.

Oostelijke gele kwikstaart (Motacilla tschutschensis)
Foto: valerkov — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest bruikbare geluid is de vluchtroep: een schorre, wat blikkerige, naar boven getrokken tsrieep of dzjieep, met een rauwe bijklank die de roep van andere kwikstaarten mist, en meestal te horen op het moment dat de vogel opvliegt of hoog overtrekt. Het is in de praktijk het beste kenmerk dat je hebt, want in het onopvallende winterkleed dat de vogels in Australië dragen lijken de kleuren van de ene op de andere. De zang, een eenvoudig krassend zinnetje van enkele noten, hoor je in het overwinteringsgebied vrijwel nooit.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke kwikstaart van vijftien tot zestien centimeter, met een lange maar voor een kwikstaart niet extreem lange staart, lange poten en een dun spits snaveltje. De vogels die Australië bereiken dragen meestal het niet-broedkleed of zijn jonge vogels: olijfgrijs tot grijsbruin op de bovenzijde, met een olijfgroene tint op de stuit, en vuilwit tot flauw geel op de onderzijde, waarbij het geel vaak alleen nog op de onderstaart is overgebleven. Op de kop staat een duidelijke lichte wenkbrauwstreep boven een donkere oorstreek, en over de vleugel lopen twee lichte banden. De poten zijn zwart — een onmisbaar kenmerk. De staart is donker met witte buitenpennen. Volwassen mannetjes in broedkleed, die soms laat in het seizoen nog opduiken, zijn fel citroengeel van keel tot buik met een blauwgrijze kop. Hij loopt en rent snel over de kale grond, wipt onafgebroken met de staart en vliegt op in diepe golven.

Verwarrings­soorten

De grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), eveneens een dwaalgast uit Azië, is de lastigste: die heeft een veel langere staart, een grijze in plaats van olijfkleurige mantel, een fel geelgroene stuit, een helder gele onderstaart die scherp aftekent, en vleeskleurige tot bruinachtige poten in plaats van zwarte. De witte kwikstaart (Motacilla alba) heeft geen spoor van geel en is zwart, wit en grijs. De westelijke gele kwikstaart (Motacilla flava) is in Australië hooguit een uitzonderlijke gast en wordt vooral op de zachtere, niet schorre roep onderscheiden — in het veld is dat onderscheid zonder geluid meestal niet te maken. Tot slot de naamsverwarring: de tuinwaaierstaart (Rhipidura leucophrys) heet in het Engels Willie Wagtail en wipt ook met de staart, maar is een zwart-witte waaierstaart die insecten uit de lucht grijpt en geen enkele gele veer draagt.

Leefgebied

Open, natte of pas kaalgetrapte grond: slikranden van estuaria en mangrovekreken, de oevers van waterbergingen en rioolvijvers, natte weiden en vertrapte drinkplaatsen bij vee, luchthaventerreinen, rijstvelden en de randen van binnenlandse plassen. Hij is daar altijd in gezelschap van andere waadvogels en kwikstaartachtige grondvogels, en zoekt zijn voedsel lopend, tussen de poten van het vee of langs de waterlijn. Broeden doet hij uitsluitend in het noorden, op toendra en in vochtig laagland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Broedt in noordoostelijk Siberië, op Kamtsjatka en in westelijk Alaska, en overwintert van Zuidoost-Azië tot Indonesië en Nieuw-Guinea. In Australië is hij een regelmatige maar schaarse zomergast, vooral van oktober tot april, met de meeste waarnemingen langs de noordkust: de omgeving van Darwin, de rioolvijvers en vlakten bij Broome en de westkust van Kaap York. Verder naar het zuiden wordt hij jaarlijks in kleine aantallen gezien, maar dan als zeldzaamheid. In Nieuw-Zeeland is hij een uitgesproken dwaalgast met slechts enkele gevallen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in de zuidelijke zomer een rioolvijver of een waterberging langs de noordkust van Australië af, en luister naar het schorre tsrieep boven je hoofd voordat je überhaupt begint te zoeken: deze vogel wordt vaker gehoord dan gezien. Heb je er een op de grond, kijk dan meteen naar de poten en de stuit — zwarte poten en een olijfgroene stuit maken het deze soort, vleeskleurige poten en een felgroene stuit de grote gele kwikstaart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het broedareaal beslaat een enorme strook toendra en taiga in Noordoost-Azië en Alaska, en de aantallen zijn hoog. Voor Australië is de soort geen instandhoudingsvraagstuk maar een bezoeker, al maakt dat het lot van dit soort langeafstandstrekkers er niet minder gevoelig op: het verdwijnen van wetlands en slikvlakten langs de Oost-Aziatisch-Australaziatische trekroute raakt elke vogel die die route gebruikt. Rioolvijvers en kunstmatige waterbergingen in Noord-Australië leveren juist een groeiend aanbod aan geschikt terrein voor de overwinterende vogels.

Wetenschappelijke naam

Motacilla tschutschensis | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 naar materiaal van de kust van het Tsjoektsjenschiereiland in het uiterste noordoosten van Siberië; daaraan dankt ze de merkwaardige soortnaam tschutschensis, 'van de Tsjoektsjen'. Motacilla is het Latijnse woord dat Varro voor de kwikstaart gebruikte, een afleiding van motare, heen en weer bewegen; de uitgang werd later ten onrechte als 'staartje' opgevat, wat toevallig uitstekend past. Lange tijd gold deze vogel als de oostelijke ondersoortgroep van de gele kwikstaart (Motacilla flava); op grond van genetisch onderzoek en verschillen in roep wordt hij nu als eigen soort behandeld, en juist de Australische vogels komen uit die oostelijke groep.