Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Barmsijs

Barmsijs | Acanthis flammea

Redpoll | Pardillo norteño

De barmsijs is het kleine, streperig bruine vinkje met een karmijnrood voorhoofd en een zwarte kinvlek dat in Nieuw-Zeeland in het tussockgrasland, de bergstruwelen en de boerenlandschappen in rondzwervende groepjes voorkomt. Hij is daar niet van nature thuis: de acclimatisatiegenootschappen van de negentiende eeuw hebben hem meegebracht, en van alle uit Europa ingevoerde vinken is hij de soort die het verst het hoogland in is doorgedrongen.

Barmsijs (Acanthis flammea)
Foto: gailhampshire from Cradley, Malvern, U.K — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een hard, droog en snel ratelend tsjetsjetsjet, meestal in groepjes van drie of vier noten, dat de soort al op afstand verraadt wanneer een groepje hoog over een tussockhelling trekt. Daarnaast klinkt een langgerekt, klagend en iets opstijgend tsjoeiet, dat vaak vanaf een draad of een struiktop wordt gegeven. De zang is een aaneenrijging van diezelfde ratels met een trillende triller ertussen, en wordt bij voorkeur gebracht in een trage, wijde baltsvlucht met stijve, langzame vleugelslagen boven het open terrein.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een klein, fijn gebouwd vinkje van ongeveer twaalf centimeter met een korte, gevorkte staart en een kleine, spitse, geelachtige kegelsnavel. Het verenkleed is bruin en overal zwaar donker gestreept, op de rug, de flanken en de borst; de onderkant is vuilwit. Twee kenmerken maken de soort: een helder karmijnrode vlek op het voorhoofd, en een klein zwart vlekje op kin en keel direct onder de snavel. Over de vleugel lopen twee vage lichte banden. Het mannetje krijgt in de broedtijd bovendien een rozerode waas over borst en stuit; vrouwtjes en jonge vogels missen dat en hebben alleen het rode voorhoofd, of bij pas uitgevlogen vogels aanvankelijk zelfs dat niet. In de vlucht is het een klein, donker en gedrongen vogeltje met een snelle, golvende baan en een ratelende roep.

Verwarrings­soorten

In Nieuw-Zeeland is het grootste probleem de jonge putter (Carduelis carduelis): die is eveneens streperig bruin en mist nog het rood-wit-zwarte gezicht van de volwassen vogel, maar heeft wel de brede, helder goudgele band dwars over de zwarte vleugel, die de barmsijs nooit heeft. De groenling (Chloris chloris) is veel groter, zwaarder gebouwd en overwegend groengrijs, met geel op de vleugelrand en de staartzijden in plaats van streping. De huismus (Passer domesticus) is forser, heeft een veel dikkere snavel en mist zowel het rode voorhoofd als het zwarte kinvlekje. Let er ten slotte op dat de soortgrenzen binnen de barmsijzen zelf omstreden zijn: de kleine, donkere Britse vorm waaruit de Nieuw-Zeelandse vogels voortkomen werd lang als een aparte soort behandeld en wordt tegenwoordig door de meeste naslagwerken weer bij Acanthis flammea gevoegd.

Leefgebied

In Nieuw-Zeeland vooral open, kruidig terrein: tussockgrasland tot hoog in de bergen, matagouri- en manukastruweel, boven de boomgrens zelfs alpiene kruidenvelden, en daarnaast boerenland, wegbermen, dennenplantages, boomgaarden en tuinen. Het voedsel bestaat uit fijne zaden van kruiden, grassen, berk- en elzenkatjes en van naaldbomen, in de zomer aangevuld met insecten. Van alle in Nieuw-Zeeland uitgezette Europese vinken is dit degene die het minst aan mensen gebonden is gebleven en het diepst in het natuurlijke landschap is doorgedrongen. In het oorspronkelijke areaal op het noordelijk halfrond hoort de soort in berkenbos, wilgenstruweel en toendrarand thuis.

Verspreiding en trek

Van nature een vogel van het noorden van Europa, Azië en Noord-Amerika, waar hij in berkengordel en toendrastruweel broedt en 's winters onregelmatig zuidwaarts uitzwermt. In Nieuw-Zeeland is hij ingevoerd: tussen 1862 en de jaren zeventig van de negentiende eeuw lieten de acclimatisatiegenootschappen van onder meer Nelson, Canterbury en Otago er vogels los, en binnen enkele decennia had de soort beide hoofdeilanden bezet. Hij is inmiddels ook op de Chathams en op de subantarctische eilanden — Auckland, Campbell, de Snares — en op Macquarie Island terechtgekomen, deels op eigen kracht. In Australië is hij alleen in Tasmanië en plaatselijk in het uiterste zuidoosten ingeburgerd geraakt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in Nieuw-Zeeland in de zomer een pad door tussockgrasland of langs een berm met distels en luister naar het droge geratel boven uw hoofd: een groepje barmsijzen verplaatst zich bijna altijd al roepend. Ze foerageren hangend aan zaadhoofdjes, vaak ondersteboven als een mees, en laten zich dan verrassend dichtbij komen — dat is het moment om naar het karmijnrode voorhoofd en het zwarte kinvlekje te zoeken, de twee kenmerken die alles beslissen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het wereldareaal is enorm en de populatie groot, al schommelen de aantallen in het noorden sterk met de zaadoogst van berk en els. In Nieuw-Zeeland is de barmsijs een ingeburgerde exoot en geldt hij niet als beschermingsvraagstuk maar eerder als een lichte last: hij pikt aan knoppen en aan rijpend klein fruit en wordt daarom plaatselijk als plaag in boomgaarden gezien. Het verhaal van zijn komst is dat van een hele generatie: in de tweede helft van de negentiende eeuw lieten Britse kolonisten in Nieuw-Zeeland bewust Europese zangvogels los, deels uit heimwee naar het geluid van thuis, deels in de overtuiging dat die vogels de insectenplagen op de akkers zouden bestrijden. Van de vinken die zo werden uitgezet horen de barmsijs, de putter en de groenling tot de weinige die zich blijvend hebben gevestigd.

Wetenschappelijke naam

Acanthis flammea | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla flammea; omdat ze naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het soortepitheton flammea is Latijn voor 'vlammend', naar de rode voorhoofdsvlek, en het geslacht Acanthis gaat terug op een Grieks woord voor een klein zaadetend vogeltje van distels. De Engelse naam Redpoll betekent letterlijk 'rode kruin'. De Nederlandse naam barmsijs is een oude vogelvangersnaam waarin 'sijs' het type vogel aanduidt.