Alle soortenZangvogelsVinkachtigen › Putter

Putter | Carduelis carduelis

European Goldfinch | Cardelino

De putter is het vinkje met het rood-wit-zwarte gezicht en de brede gouden band over een zwarte vleugel, dat in Nieuw-Zeeland en in het zuidoosten van Australië op distels, brandnetels en andere zaaddragende kruiden in boerenland en tuinen leeft. Ook hij hoort daar niet van nature thuis: hij is in de negentiende eeuw door de acclimatisatiegenootschappen ingevoerd en is sindsdien een van de meest algemene en zichtbaarste kleine zangvogels van het open landschap geworden.

Putter (Carduelis carduelis)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is onmiskenbaar: een helder, vloeiend en licht klinkend tikkelit of dee-dee-lit, met een metalige, belletjesachtige klank, dat groepjes voortdurend laten horen en dat het geluid is waarmee de soort zich het vaakst aandient. Bij onrust klinkt een scherper, nasaal dwèèh. De zang is een vlot, kanarieachtig gekwetter waarin dezelfde belletjesmotieven aan elkaar worden geregen, doorspekt met korte trillers en dat nasale gejengel; het mannetje zingt vanaf een tak, een draad of een paal, meestal met licht trillende vleugels.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een klein, sierlijk vinkje van twaalf tot dertien centimeter met een slanke, spits toelopende ivoorwitte snavel. Het volwassen gezicht is onverwisselbaar: een scharlakenrood masker rond snavel en oog, daarachter wit, en van de kruin over de nek een zwarte kap die in twee zwarte hoornen naar de zijkant van de hals loopt. De rug en de flanken zijn warm beigebruin, de buik is wit. De vleugel is zwart met een brede, felgele band die in vlucht als een lichtflits oplicht, en met fijne witte spitsen aan de handpennen; de staart is zwart met witte vlekken. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar, met bij het mannetje een iets uitgebreider rood dat achter het oog doorloopt. De jonge vogel is heel anders: die mist het gezichtsmasker helemaal en is dofbruin met fijne streping op kop en borst — maar hij heeft al wel de gele vleugelband, en dat kenmerk beslist. De soort foerageert veel hangend en balancerend aan zaadhoofdjes.

Verwarrings­soorten

Volwassen vogels zijn nergens mee te verwarren. De jonge vogels wel: die worden geregeld voor een barmsijs (Acanthis flammea) aangezien, want ook die is klein en streperig bruin. De barmsijs heeft echter een rood voorhoofd, een zwart kinvlekje en hooguit twee vage lichte vleugelstrepen, terwijl de jonge putter een geheel effen kop zonder rood heeft en een brede, ononderbroken gouden band over de zwarte vleugel draagt. De groenling (Chloris chloris) is forser en zwaarder van snavel en heeft het geel aan de vleugelrand en aan de staartbasis in plaats van als dwarsband. De huismus (Passer domesticus) mist geel in de vleugel geheel. In Nieuw-Zeeland is verder geen inheemse zangvogel met dit patroon.

Leefgebied

Open land met veel kruiden die zaad zetten: akkerranden, braakland, wegbermen met distels, boomgaarden, moestuinen, parken en tuinen, en langs de kust duinen en ruigten. De soort is gespecialiseerd in de zaden van composieten — distels, kaardebol, speerdistel, paardenbloem — en haalt die met de fijne, spitse snavel uit het zaadhoofdje, waarbij ze ondersteboven aan de stengel hangt. In de winter vormt ze zwerfgroepjes die van de ene ruigte naar de andere trekken. Om te broeden heeft ze een boom of een hoge struik nodig; het kleine, keurige nest wordt vaak in het uiteinde van een tak gebouwd.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Van nature een vogel van Europa, Noord-Afrika en West- en Midden-Azië. In Nieuw-Zeeland is hij tussen 1862 en het begin van de jaren tachtig van de negentiende eeuw door de acclimatisatiegenootschappen van onder meer Nelson, Canterbury, Otago en Auckland losgelaten en heeft hij zich razendsnel over beide hoofdeilanden verspreid; hij zit nu ook op de Chathams, de Kermadecs en de subantarctische eilanden. In Australië is hij ingeburgerd in het zuidoosten, ruwweg van Sydney via Melbourne en Adelaide, en in Tasmanië, zonder ver landinwaarts te komen. Er is geen echte trek: de vogels zwerven binnen de streek.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in de nazomer een veld of een berm met uitgebloeide distels en wacht daar. De putters komen in groepjes, laten hun belletjesroep al van verre horen en gaan dan hangend aan de zaadpluizen aan het werk, waarbij ze wolkjes distelpluis losmaken — dat wegwaaiende pluis is vaak eerder te zien dan de vogels zelf. Ziet u een bruin, ongetekend vinkje tussen de volwassen vogels, kijk dan alleen naar de vleugel: de gouden band maakt er een jonge putter van.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in het grootste deel van zijn areaal algemeen. In Nieuw-Zeeland en Australië is de putter een ingeburgerde exoot zonder beschermingsstatus; hij wordt er plaatselijk als een lichte last voor boomgaarden en zaadteelt gezien, maar richt weinig schade aan en concurreert nauwelijks met inheemse vogels, omdat hij zich op zaden van eveneens ingevoerde kruiden heeft toegelegd. Die introductie hoort in een groter verhaal thuis: in de tweede helft van de negentiende eeuw lieten de acclimatisatiegenootschappen in Nieuw-Zeeland stelselmatig Europese zangvogels los, uit heimwee naar het vertrouwde geluid en in de hoop dat zij insectenplagen zouden bestrijden. Bij deze soort pakte dat ironisch uit: de putter kwam mee met de kolonisten en vond in Nieuw-Zeeland vooral de eveneens meegekomen Europese distels om van te leven. In Europa zelf nemen de aantallen sinds enkele decennia weer toe na een lange periode van vangst voor de kooivogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Carduelis carduelis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla carduelis; omdat ze later het geslacht Carduelis ging aanvoeren, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Zowel de geslachtsnaam als het soortepitheton gaan terug op het Latijnse carduus, distel — het voedsel waaraan de vogel overal is herkend. De Engelse naam Goldfinch noemt daarentegen de gouden vleugelband. De Nederlandse naam putter komt uit de tijd dat de vogel als kooivogel werd gehouden en werd afgericht om zijn eigen drinkwater met een emmertje aan een kettinkje omhoog te halen — te 'putten'.