Alle soorten › Zangvogels › Lelvogels › Noordelijke kokako
Noordelijke kokako | Callaeas wilsoni
North Island Kokako | Kokako de Isla Norte
De noordelijke kokako is de zanger van het oude bos van het Noordereiland: een blauwgrijze vogel met een zwart masker en twee kleine, diepblauwe lellen aan de snavelbasis. Vliegen doet hij nauwelijks — hij rent en springt langs de takken en glijdt van boom tot boom — maar zijn orgelachtige zang draagt bij dageraad over hele valleien, en dat is bijna altijd hoe je hem tegenkomt.
Geluid
De zang bestaat uit volle, aangehouden orgeltonen die traag achter elkaar worden gezet, klagend en dieper dan van een zangvogel wordt verwacht. Man en vrouw zingen allebei en zingen vaak in duet vanaf een hoge tak, waarbij het paar de tonen ineen laat lopen. Daarnaast is er een korte contactroep, een herhaald toek, dat verraadt dat er een vogel dichtbij door de kroon beweegt. De zang klinkt vooral in de eerste uren na zonsopgang.
Opname: David Bradley — CC BY-NC-SA 4.0 · Waipapa Ecological Area, Pureora Forest, North Island, New Zealand · xeno-canto
Herkenning
Een forse, blauwgrijze zangvogel van bijna veertig centimeter, met lange sterke poten, een lange staart die aan het eind omlaag buigt en een korte zwarte snavel. Over het gezicht loopt een fluweelzwart masker en aan weerszijden van de snavelbasis hangt een kleine, rijk blauwe lel. Jonge vogels hebben roze tot lila lellen die met de jaren blauw worden; bij oude vogels zijn ze soms oranje aangelopen. Man en vrouw zien er hetzelfde uit.
Verwarringssoorten
In hetzelfde bos is er weinig dat op hem lijkt: de toei (Prosthemadera novaeseelandiae) is donker met een witte keelkwast en vliegt luidruchtig en snel, en de noordelijke zadelrug (Philesturnus rufusater) is zwart met een kastanjebruine rug en veel kleiner. De zuidelijke kokako (Callaeas cinereus) van het Zuidereiland had oranje lellen en geldt als uitgestorven; ontmoeting is uitgesloten. Wie een grijze vogel door de takken ziét rénnen in plaats van hippen, heeft vrijwel zeker deze soort.
Leefgebied
Hoog, soortenrijk inheems bos waarin tawa of taraire overheerst en waar podocarpen of kauri bovenuit steken. Hij heeft een bos nodig dat het hele jaar door iets te bieden heeft, want hij leeft van blad, vrucht, bloem en insect achter elkaar, en dat lukt alleen in bos met veel verschillende soorten. Herstellend bos wordt gebruikt zodra de kruinlaag zich sluit en de eerste vruchtdragers meedoen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Uitsluitend het Noordereiland van Nieuw-Zeeland en de eilanden ervoor. Er zijn elf overgebleven natuurlijke populaties in verspreide bossen in Waikato, de Bay of Plenty, Te Urewera, South Auckland en Northland; sinds 1981 is de vogel daarnaast naar veertien plekken overgebracht, waaronder Tiritiri Matangi, Kapiti en Little Barrier en een reeks vastelandsreservaten met roofdierbestrijding. Trekken doet hij niet: een paar houdt jarenlang hetzelfde territorium aan.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Sta in Pureora of Whirinaki bij het eerste licht op een bospad stil en luister; de zang draagt honderden meters en is het enige wat de vogel op afstand verraadt. Loop daarna naar het geluid toe en zoek hoog in de kroon naar beweging in plaats van naar kleur, want tegen het licht in is het blauwgrijs eenvoudig donker. Van oktober tot februari zingt hij het meest.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst, en in Nieuw-Zeeland aangemerkt als Nationally Increasing — een van de weinige omkeringen in het Nieuw-Zeelandse bos. Van ongeveer driehonderddertig paren in 1999 is de stand door rattenbestrijding, possumbestrijding en herplaatsing tot rond de tweeëntwintighonderd paren in 2023 gestegen. De scheepsrat en de possum (klimbuideldier) blijven de oorzaak van elke plaatselijke terugval: ze plunderen de nesten waar het broedende vrouwtje dagenlang stil zit.
Wetenschappelijke naam
Callaeas wilsoni | (Bonaparte, 1850)
Bonaparte beschreef de vogel in 1850 in een ander geslacht, zodat auteur en jaartal tussen haakjes staan. Het geslacht Callaeas werd in 1788 ingevoerd door J. R. Forster en is gevormd op het Oudgriekse kallaia, 'de lellen van een haan'. Het epitheton wilsoni is een eerbetoon aan een zekere Wilson; wie precies, is niet met zekerheid bekend. Deze gids houdt Callaeas wilsoni als eigen soort aan, terwijl GBIF de naam nog als synoniem onder de uitgestorven zuidelijke kokako Callaeas cinereus voert.

