Alle soortenZangvogelsLelvogels › Zuidelijke zadelrug

Zuidelijke zadelrug | Philesturnus carunculatus

South Island Saddleback | Tieke de isla Sur

De zuidelijke zadelrug is een glanzend zwarte bosvogel met een roestbruin zadel over rug en stuit en twee oranjerode lellen aan de snavelbasis. Hij is vooral bekend om wat hem in 1964 overkwam: toen de soort nog uit enkele honderden vogels op één eilandje bestond en ratten dat eiland binnendrongen, werden zesendertig vogels naar twee rattenvrije eilanden overgezet. Het was de eerste keer ter wereld dat een vogelsoort op deze manier van de ondergang werd gered, en alle zadelruggen die vandaag leven stammen van die zesendertig af.

Zuidelijke zadelrug (Philesturnus carunculatus)
Foto: Adammarklenny — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, rinkelende vogel die het bos vult. De kenmerkende roep is een helder, nadrukkelijk tsjiet-tsjiet-te-te-te-te, dat begint met een paar losse noten en overgaat in een snel, ratelend staartje; koppels roepen om beurten en houden het lang vol. Daarnaast is er een hard, klikkend alarm en een zacht geknor bij het foerageren. Opmerkelijk is dat elke eilandpopulatie zijn eigen dialect ontwikkelt: de mannetjes leren hun territoriumzang van de buren, zodat vogels op Ulva anders klinken dan die op Motuara, en oude opnamen van de oorspronkelijke populatie sommige zangtypen bevatten die nergens meer te horen zijn.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Vijfentwintig centimeter, met lange poten en een vrij lange staart. Het verenkleed is diep glanzend zwart, met een scherp begrensd kastanjebruin tot roestbruin zadel dat rug, schouders en stuit beslaat en doorloopt op de vleugeldekveren; de onderstaartdekveren zijn eveneens roestbruin. Aan weerszijden van de snavelbasis hangt een vlezige, oranjerode lel. Man en vrouw zien er gelijk uit; het mannetje is groter en heeft grotere lellen. Belangrijk voor deze zuidelijke soort: de jonge vogels zijn egaal chocoladebruin zonder enig zadel, een kleed dat zo afwijkt dat het vroeger voor een aparte soort werd gehouden en in het Engels nog altijd jackbird heet. De vogel vliegt slecht en beweegt zich vooral springend door het onderhout en over de grond, waar hij met zijn stevige snavel schors en mos openwrikt.

Verwarrings­soorten

Binnen het huidige areaal is verwarring nauwelijks mogelijk, want er is geen tweede zwarte bosvogel met een bruin zadel. De noordelijke zadelrug (Philesturnus rufusater) is de nauwste verwant en werd lang als ondersoort van deze soort beschouwd; hij zit uitsluitend op het Noordereiland en de eilanden daaromheen, heeft een smalle okergele bies langs de voorrand van het zadel die deze soort mist, en zijn jonge vogels dragen het zadel al. Het noordelijke dier heet in deze gids de noordelijke zadelrug en heeft inmiddels een eigen pagina. De noordelijke kokako (Callaeas wilsoni) is de andere lelvogel: veel groter, blauwgrijs in plaats van zwart, met blauwe lellen en een heel andere, orgelachtige zang. Een merel (Turdus merula) is effen zwart zonder zadel en zonder lellen, met een gele snavel.

Leefgebied

Inheems bos met een dichte struiklaag en een diepe strooisellaag: gemengd podocarpen-loofbos op de eilanden, zuidelijk beukenbos, en op de kleinere en ruwere eilanden ook laag, door zout en wind gedrongen struweel van manuka en muehlenbeckia. De soort heeft weinig nodig behalve dood hout, mos en epifyten om in te wroeten en holten om in te broeden, en accepteert daarom vrij armoedig bos zolang er geen roofdieren zijn. Zij foerageert laag: over de bosbodem in het strooisel, langs omgevallen stammen, en klimmend langs stammen en takken, waar zij met de snavel schors afwrikt om kevers, larven en weta's te vinden. Zij broedt in holten en nissen — in stammen, onder omgevallen bomen, tussen rotsen — wat haar in aanwezigheid van ratten bijzonder kwetsbaar maakt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Nieuw-Zeeland. De soort bewoonde oorspronkelijk het bos van het hele Zuidereiland en Stewarteiland, maar was omstreeks 1905 van het vasteland verdwenen en hield daarna alleen nog stand op enkele kleine eilanden bij Stewarteiland. Vandaag komt zij, uitsluitend dankzij overzettingen, voor op meer dan vijftien roofdiervrije eilanden, waaronder Ulva, Motuara, Breaksea, Anchor, Putauhinu en Whenua Hou, en in enkele omrasterde vastelandreservaten zoals Orokonui bij Dunedin. Buiten die beschermde plekken bestaat de soort niet: er is geen vrij levende vastelandpopulatie, en er is geen trek — de vogels zijn zulke slechte vliegers dat ze zelfs smalle zeestraten niet uit zichzelf oversteken.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Een van de gemakkelijkste Nieuw-Zeelandse endemen om goed te zien, mits men op de juiste plek is. Op Ulva Island of Motuara Island lopen de vogels vlak langs het pad en laten ze zich tot op enkele meters benaderen; blijf op het pad staan en wacht, want een zadelrug die op de bosbodem aan het wroeten is, werkt vanzelf uw kant op. Luister naar het rinkelende tsjiet-tsjiet-te-te-te en naar het geluid van scheurende schors laag bij de grond, dat vaak eerder opvalt dan de vogel zelf. Controleer bij het aan boord gaan van een boot naar zo'n eiland uw tas en schoenen op verstekelingen: één zwangere rat is genoeg om een hele populatie te wissen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) volgens de wereldlijst, maar die geruststellende letters verbergen een van de scherpste verhalen uit de natuurbescherming. Ratten, hermelijnen en katten en het verdwijnen van het laaglandbos hebben de soort in een halve eeuw van het hele Zuidereiland verdreven; rond 1905 was het vasteland leeg en bleef alleen een handvol eilandjes bij Stewarteiland over. In 1962 bereikten scheepsratten Taukihepa (Big South Cape Island), verreweg het grootste bolwerk. Het bos werd in twee jaar leeggegeten; de Stewarteilandwinterkoning en de grote kortstaartvleermuis verdwenen daarbij voorgoed. In 1964 zetten medewerkers van de Wildlife Service, onder wie Don Merton en Brian Bell, zesendertig zadelruggen over naar twee nabijgelegen rattenvrije eilanden. Dat het werkte was destijds allerminst zeker, en het werd de blauwdruk voor alles wat daarna in Nieuw-Zeeland met kakapo, takahe en zwartvoortkarekiet is gedaan. De populatie groeide van die zesendertig vogels tot ruim tweeduizend op meer dan vijftien eilanden. De zwakke plek is gebleven: alle vogels stammen van een handvol voorouders af, ze broeden in holten op de grond, ze vliegen slecht, en één rat die aan land komt kan een heel eiland weer leegmaken. De soort is dus niet gered maar beheerd, en de belangrijkste beschermingsmaatregel is dat de eilanden roofdiervrij blijven.

Wetenschappelijke naam

Philesturnus carunculatus | (Gmelin, 1789)

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 van het Zuidereiland onder de naam Sturnus carunculatus — als een spreeuw dus. Het epitheton carunculatus is Latijn voor 'met een vleeswratje' en slaat op de oranjerode lellen. De geslachtsnaam Philesturnus is gevormd uit het Oudgriekse phileo ('houden van') en het Latijnse sturnus ('spreeuw'), en houdt de oude, onjuiste verwantschap vast: de lelvogels zijn een oeroude, uitsluitend Nieuw-Zeelandse familie die met spreeuwen niets te maken heeft. In het Maori heet de vogel tieke, een naam die de roep nabootst. De Nederlandse naam zadelrug en het Engelse Saddleback beschrijven het roestbruine zadel; het Spaans gebruikt tieke de isla Sur.