Alle soorten › Zangvogels › Lelvogels › Noordelijke zadelrug
Noordelijke zadelrug | Philesturnus rufusater
North Island Saddleback | Tieke de isla Norte
De noordelijke zadelrug, in het Māori tīeke, is een zwarte vogel met een kastanjebruin zadel, vuurrode lellen aan de snavelbasis en een stem die tot ver in het bos draagt. Hij vliegt slecht en klimt uitstekend, en rammelt met zijn snavel dood hout uit elkaar op zoek naar larven. In de jaren negentig was hij bijna weg: één natuurlijke populatie op Hen Island, ongeveer vijfhonderd vogels. Zestig jaar verplaatsen, hekken bouwen en ratten uitroeien later staat de teller boven de zevenduizend, en sinds kort geldt hij — los van zijn zuidelijke tegenhanger — als eigen soort.
Geluid
Het mannetje beschikt over meer dan tweehonderd zangvarianten, opgebouwd volgens één vast recept: twee tot vier korte inleidende chips, gevolgd door een reeks sterk gestandaardiseerde, telkens herhaalde frasen. Buurmannen kopiëren elkaars variant, zodat een eiland in de praktijk in dialectwijken uiteenvalt. Daarnaast is er een luide, ratelende, bijna kwetterende roep — het geluid waaraan het Māori-woord tīeke ontleend is — en zachte, fluitachtige, tussen de seksen verschillende contactgeluidjes die je alleen van dichtbij hoort. Het geheel is luid: in een bos vol zadelruggen is de soort eerder een achtergrondgeluid dan een vondst.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen zangvogel van 25 centimeter en 70 tot 80 gram, glanzend zwart met een scherp afgesneden kastanjebruin zadel over de rug, dat doorloopt over stuit en bovenstaartdekveren. Langs de voorrand van dat zadel loopt een smalle, okergele bies — het kenmerk van deze soort. De snavel is zwart, recht en spits, spreeuwachtig, en aan de basis hangen twee vlezige, oranjerode lellen die met de leeftijd groeien; mannetjes hebben er grotere dan even oude vrouwtjes. De poten zijn zwaar en lang, de staart bijna zo lang als de vleugel. Jonge vogels zijn doffer zwart met stoffig bruine veertoppen, kleine lellen en nog geen gouden bies, maar zij dragen het kastanjebruine zadel al vanaf het uitvliegen.
Verwarringssoorten
De naaste verwant is de zuidelijke zadelrug (Philesturnus carunculatus), die in deze gids een eigen pagina heeft en tot voor kort als dezelfde soort gold. Anders dan bij de twee Nieuw-Zeelandse vliegenvangers zijn deze twee wél te scheiden, en op twee manieren. De volwassen noordelijke vogel heeft een smalle okergele bies langs de voorrand van het zadel die de zuidelijke volledig mist. En het jongenkleed verschilt fundamenteel: jonge zuidelijke zadelruggen dragen het beroemde jackbird-kleed, egaal chocoladebruin zonder enig zadel, waardoor ze vroeger voor een aparte soort werden aangezien, terwijl jonge noordelijke vogels het zadel al meteen hebben — alleen nog zonder de gouden bies. Overlap is er niet: deze soort zit uitsluitend op het Noordereiland en de eilanden daaromheen, de zuidelijke uitsluitend ten zuiden van Straat Cook. Met andere zwarte bosvogels is verwarring gering; de noordelijke kokako (Callaeas wilsoni) is uit dezelfde familie en heeft ook lellen, maar is veel groter, blauwgrijs in plaats van zwart, mist het zadel en heeft blauwe in plaats van oranjerode lellen. De spreeuw, die van een afstand qua snavel en loop nog het meest lijkt, is kleiner en geheel donker gespikkeld.
Leefgebied
Kust- en binnenlandbos van zeeniveau tot boven de zeshonderd meter, met een uitgesproken voorkeur voor structuurrijk, regenererend struikbos en podocarpen-loofbos met veel dood hout. Op de eilanden waar hij nu zit — vaak kaurihoudend bos met een dichte laag manuka en kanuka eromheen — leeft hij grotendeels in de onderste vier meter, waar hij takken afpelt en de schors van dode stammen lospeutert. Doorslaggevend is de aanwezigheid van holten: hij slaapt én broedt in boomholten, rotsspleten en zelfs in nestkasten, en juist dat maakt een gebied zonder oude bomen voor hem onbruikbaar.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Standvogel op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland en de omliggende eilanden; de metingen voor deze gids geven tien van de tien jaren aanwezigheid en 18.223 waarnemingen, met vijf eenheden standvogel en één eenheid broedvogel. De enige nooit verdwenen natuurlijke populatie zit op Hen Island (Taranga), ongeveer vijfhonderd vogels; Coppermine Island werd vanzelf gekoloniseerd. Alle andere populaties zijn gemaakt: sinds 1964 is de soort op meer dan zestien eilanden uitgezet, waaronder Little Barrier, Tiritiri Matangi, Kapiti, Cuvier, Red Mercury, Mokoia, Moutohora, Motuihe, Rangitoto en Motutapu, en tussen 2002 en 2018 in zes omheinde vastelandsreservaten, te beginnen met Zealandia in Wellington. Het totaal ligt boven de zevenduizend en loopt vermoedelijk richting tienduizend. Dit is een recente AviList-splitsing die in de ruggengraattaxonomie van GBIF nog niet is verwerkt; de cijfers zijn daarom apart op ondersoortniveau gemeten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga naar Tiritiri Matangi of Zealandia en luister naar dood hout. Het geluid van een zadelrug die schors lospeutert — een droog, onregelmatig gekraak en getik op kniehoogte — verraadt hem vaker dan zijn zang, want zingen doet hij vanaf een vaste tak en dan is hij toch al niet te missen. Controleer bij elke vogel die je ziet de voorrand van het zadel: die dunne gouden streep is het enige wat je van de zuidelijke soort scheidt als de plaatsbepaling ooit twijfelachtig zou zijn.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort als gevoelig (NT) en de Nieuw-Zeelandse lijst noemt hem een relict: de huidige verspreiding is een fractie van de oorspronkelijke en vrijwel geheel kunstmatig tot stand gebracht. De oorzaak van de ineenstorting rond 1890 was de hermelijn, in combinatie met ratten. De soort slaapt en broedt in holten op geringe hoogte en kan slecht vliegen, en die combinatie maakt haar ongewoon weerloos: één zwangere hermelijn op een eiland kan een hele populatie uitwissen. Daar staat tegenover dat de hersteloperatie tot de succesvolste ter wereld behoort — vroeg beginnen, veel kleine populaties spreiden, en eilanden predatorvrij houden — en dat de aantallen al zestig jaar stijgen. De kwetsbaarheid blijft structureel: veel van die populaties zijn klein, genetisch smal en afhankelijk van permanente predatorcontrole.
Wetenschappelijke naam
Philesturnus rufusater | (Lesson, 1828)
De Nederlandse naam zet het windstreekelement voor de groepsnaam, tegenover de zuidelijke zadelrug, en 'zadelrug' is een vrij letterlijke vertaling van het Engelse saddleback: het kastanjebruine vlak ligt als een zadel over de rug. De soortnaam rufusater is een samentrekking van het Latijnse rufus 'roodbruin' en ater 'zwart' en beschrijft de vogel in twee woorden volledig. De Māori-naam tīeke is klanknabootsend en gaat terug op de ratelende roep. De familie, de Callaeidae of lelvogels, is endemisch voor Nieuw-Zeeland en telt na het verdwijnen van de huia nog maar twee geslachten.


