Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Noordse stern
Noordse stern | Sterna paradisaea
Arctic Tern | Charrán artico
De noordse stern is de vogel met de langste trek ter wereld: hij broedt op de toendra en de arctische eilanden en brengt de noordelijke winter door in het pakijs van Antarctica, zo'n zeventigduizend kilometer heen en terug per jaar. Australië en Nieuw-Zeeland liggen op die route, en daarom zie je hem hier bijna altijd boven open zee, in winterkleed of in het kleed van een eerstejaars. Aan land komt hij vooral als een zuidwester hem op het strand heeft gezet.
Geluid
In dit gebied zwijgt hij meestal; het geluid hoort bij de kolonie en die ligt tienduizend kilometer noordelijker. Wie hem daar meemaakt, hoort een scherp, nasaal kie-jaa dat aan het eind omhoogschiet, korter en rauwer dan de roep van het visdiefje, en bij een indringer een ratelend kt-kt-kt-kt. Op zee klinkt hooguit een kort, hoog kiep als twee vogels elkaar passeren boven een voedselvlek. Het verschil met de vollere, lagere stem van het visdiefje is in een gemengde groep vaak bruikbaarder dan het verenkleed.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke stern met smalle vleugels, een kort halsje en een rond kopje, en met staartslierten die bij een zittende vogel voorbij de vleugelpunten steken. Het beslissende kenmerk staat onderaan: het loopbeen meet maar 16 mm, zodat een staande noordse stern zo laag op zijn poten zit dat zijn buik de grond bijna raakt. Van onderen is de hand doorschijnend, met een smalle, haarscherp begrensde zwarte achterrand aan de handpennen — geen vage donkere wig zoals bij het visdiefje. In het kleed waarin hij hier meestal verschijnt zijn snavel en poten zwart, is het voorhoofd wit en ontbreekt een donkere schouderstreep. Jonge vogels hebben een fijn geschubde bovenzijde, een korte staart en opvallend witte binnenvleugels.
Verwarringssoorten
De antarctische stern (Sterna vittata) is in deze wateren de belangrijkste valstrik, en het handigst te scheiden op rui: in de zuidelijke zomer draagt de antarctische stern volledig broedkleed met een bloedrode snavel, rode poten en een gesloten zwarte kap, terwijl de noordse stern juist dan in winterkleed of in de rui zit, met een wit voorhoofd en een zwarte snavel. De antarctische stern is bovendien steviger gebouwd, grijzer van onderen, zwaarder (139 tegen 110 g) en korter van sliert. Het visdiefje (S. hirundo) heeft langere poten, een donkere schouderstreep en die brede vage wig in de vleugelpunt. De tara-stern (S. striata) is groter en witter met een lange zwarte snavel, en dougalls stern (S. dougallii) heeft nog langere witte linten boven een vrijwel egale bleke vleugel.
Leefgebied
Open zee en continentaal plat, en in het zuiden de koude wateren rond de subantarctische eilanden en de rand van het pakijs. Hij foerageert boven scholen kleine vis en krill, vaak in gezelschap van stormvogeltjes en prionen, en rust op drijfhout, op boeien of op het water zelf. Aan de kust verschijnt hij vooral gedwongen: op zandstranden en spits na aanhoudende storm.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster vooral een vogel van de zee ten zuiden van het vasteland: de zuidkust van West-Australië, de Grote Australische Bocht, Victoria, Tasmanië en de Nieuw-Zeelandse subantarctische wateren, tussen november en april. Hij is nergens talrijk — over tien jaar gaat het om enkele honderden waarnemingen in Australië en enkele tientallen in Nieuw-Zeeland — en veel meldingen betreffen aangespoelde of uitgeputte vogels na een zware zuidwesterstorm. Broeden doet hij hier niet.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga na een langdurige zuidwesterstorm in december of januari een zandstrand in Victoria of Tasmanië af en kijk bij elke stern naar de pootlengte: een vogel die bijna op zijn buik ligt terwijl hij staat, is er een om beter te bekijken. Op een pelagische tocht in de Zuidelijke Oceaan is de smalle, scherpe zwarte achterrand van de doorschijnende hand het kenmerk dat ook op afstand overeind blijft. Let bovendien op de ruistand: een stern in vol broedkleed in januari is hier eerder een antarctische stern.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een wereldpopulatie in de miljoenen, maar het beeld is niet overal rooskleurig: in de Noord-Atlantische kolonies zijn hele jaargangen mislukt doordat zandspiering wegviel, en de Arctische broedgebieden veranderen snel. Binnen dit kaartvenster is er geen kolonie om te beschermen; wat hier telt is een schone en visrijke Zuidelijke Oceaan en rust op de stranden waar uitgeputte vogels na een storm bijkomen.
Wetenschappelijke naam
Sterna paradisaea | Pontoppidan, 1763
Erik Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Sterna paradisaea, en omdat het geslacht sindsdien niet is veranderd, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Sterna komt van het Oudengelse stearn, 'stern'. paradisaea gaat terug op het Laatlatijnse paradisus, 'paradijs', vermoedelijk naar de lange wapperende staartslierten die aan een paradijsvogel doen denken. Pontoppidan noemde geen typelocatie; die is later vastgelegd op Christiansø bij Bornholm in Denemarken. De Nederlandse en de Engelse naam wijzen allebei naar het hoge noorden waar de vogel broedt.


