Alle soorten › Papegaaiachtigen › Kaketoes › Oostelijke langsnavelkaketoe
Oostelijke langsnavelkaketoe | Cacatua tenuirostris
Long-billed Corella | Cacatúa picofina
Deze kaketoe, Cacatua tenuirostris, is de soort met de beitel: een stevige witte vogel waarvan de bovensnavel tot een lange, bleke punt is uitgegroeid waarmee hij knollen en wortels uit de graszode wrikt. Een oranjerode halvemaan over de bovenborst maakt hem, als je hem eenmaal ziet zitten, onmiskenbaar. Let op: in deze gids draagt ook Cacatua pastinator de Nederlandse naam Oostelijke langsnavelkaketoe.
Geluid
De roep is een snelle, trillende falsetnoot, koeroep!, die in een groep overgaat in een tweelettergrepig wullek-wullek of, zoals Australiërs het horen, cadillac-cadillac. Daartussendoor klinkt een hard, schor gekrijs. Van alle Australische kaketoes is deze soort de beste nabootser van de menselijke stem, wat hem als kooivogel gewild — en daardoor plaatselijk verwilderd — heeft gemaakt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen witte kaketoe van 38–41 cm met een korte kuif die je meestal niet ziet, een korte staart en een zwaar lichaam. Alles draait om twee kenmerken: de bovensnavel is sterk verlengd, bleek hoornkleurig en steekt als een smalle punt ver voorbij de ondersnavel, en over de bovenborst loopt een brede oranjerode halvemaan, met daarnaast rood op voorhoofd, teugel en keel. Rond het oog ligt een rand kale, blauwgrijze huid. Ondervleugel en onderstaart hebben een flauwe gele waas. Man en vrouw zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De naaktoogkaketoe (Cacatua sanguinea) is kleiner, heeft een korte snavel met even lange helften, geen borstband en slechts een vaag roze vlekje tussen oog en snavel. De tweede soort die in deze gids Oostelijke langsnavelkaketoe heet, Cacatua pastinator, heeft ook een lange snavel, maar is groter en zwaarder, mist de oranjerode borstband en heeft alleen een klein roze keelvlekje; bovendien zit die in het zuidwesten en deze in het zuidoosten — behalve waar verwilderde vogels van deze soort bij Perth zijn terechtgekomen. De incakaketoe (Cacatua leadbeateri) heeft een korte snavel, een witbevederde oogomgeving en een rood-met-gele kuif. De grote geelkuifkaketoe (Cacatua galerita) is groter, zuiver wit en geelkuivig.
Leefgebied
Grazige woodlands en graslanden: weiland, veeteeltgebied, graanakkers en stoppelvelden, met opstanden van river red gum langs de kreken voor de nestholten. In het zuidoosten is hij ook een vaste verschijning in stadsparken en op sportvelden. Hij foerageert bijna altijd op de grond en graaft er met de lange bovensnavel knollen, bollen en wortels uit; ruwweg negen tiende van het huidige voedsel bestaat uit uitheemse planten, vooral de bollen van uienkruid, in de plaats van de inheemse murnong die grotendeels is verdwenen. Nesten zitten in holten van grote oude eucalypten en soms in spleten van losse tufsteenkliffen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Van nature beperkt tot het uiterste zuidoosten van Australië: van zuidoostelijk Zuid-Australië door west-Victoria tot zuidelijk New South Wales. Sinds de jaren zeventig is het areaal fors uitgebreid, deels op eigen kracht en deels door ontsnapte kooivogels: Melbourne, Tasmanië, delen van Zuid-Australië en zuidoostelijk Queensland tot bij Cairns. Bij Perth in West-Australië zit sinds halverwege de jaren tachtig een verwilderde populatie, ver buiten het natuurlijke areaal.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op de grond in kortgegraasd weiland of op een geïrrigeerd sportveld in het westen van Victoria, waar troepen zij aan zij lopen te wroeten. Kijk naar de kopstand: waar een naaktoogkaketoe pikt, wrikt deze soort, met een zijwaartse kopbeweging waarmee hij plukken zode omkeert. De omgewoelde plekken in het gras blijven dagen zichtbaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort heeft van de omzetting van bos in graanland en weiland geprofiteerd en is in aantal en areaal toegenomen; ze wordt op veel plaatsen als schadelijk gezien wegens vraat aan gewassen en aan bast, kabels en houtwerk, en er worden regelmatig vergunningen voor bestrijding afgegeven. Het enige natuurbelang zit aan de andere kant van het land: de verwilderde populatie bij Perth vormt een risico voor de zeldzame zuidwestelijke verwant Cacatua pastinator, met wie ze kan kruisen en om nestholten strijdt.
Wetenschappelijke naam
Cacatua tenuirostris | (Kuhl, 1820)
Heinrich Kuhl beschreef de soort in 1820 als Psittacus tenuirostris; auteur en jaartal staan daarom tussen haakjes. Het epitheton is Latijn: tenuis 'dun, slank' en rostrum 'snavel', naar de lange smalle bovensnavel. De typelocatie is New Holland, nader bepaald als de omgeving van Port Phillip Bay in Victoria. Het woord corella in de Engelse naam komt uit een Aboriginaltaal van het binnenland van New South Wales. Het is goed te weten dat deze soort in deze gids dezelfde Nederlandse naam draagt als Cacatua pastinator, die in andere literatuur juist de westelijke langsnavelkaketoe heet — gebruik bij twijfel de wetenschappelijke naam.





