Alle soortenZangvogelsElfjes › Ornaatelfje

Ornaatelfje | Malurus cyaneus

Superb Fairywren | Maluro soberbio

Het ornaatelfje is het bekendste van de negen elfjes in deze gids: een klein, langstaartig vogeltje dat in vaste groepjes door de onderste meter van de begroeiing scharrelt, met een mannetje in kobaltblauw en zwart. Van alle elfjes is hij het gemakkelijkst te zien, want hij houdt stand tot in stadstuinen.

Ornaatelfje (Malurus cyaneus)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge, snelle triller die met scherpe tsjip-noten begint en overgaat in een aanhoudend, gelijkmatig ratelend liedje; beide seksen zingen het. Het contactgeluid is een dun tsit, waaraan de vogels elkaar in dekking volgen. Bij gevaar klinkt een fijne, zeer hoge alarmroep die in verkeersgeluid volledig verdwijnt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Dertien tot veertien centimeter, waarvan bijna de helft staart, meestal rechtop gedragen. Het mannetje in broedkleed heeft een hemelsblauwe kruin, blauwe oorpluimen en blauwe mantel, met zwarte keel, zwarte nekband en grijswitte buik; de staart is blauw. Het vrouwtje is grijsbruin boven en vuilwit onder, met roodbruine snavel en roodbruine teugel en oogring. Buiten de broedtijd ruit het mannetje in een eclipskleed dat op het vrouwtje lijkt, maar de snavel blijft zwart en de staart blauw — daar gaat het in het veld mis.

Verwarrings­soorten

Het blauwe elfje (Malurus splendens) mist de grijswitte buik: dat mannetje is ook van onderen blauw en heeft geen zwarte nekband; het zit westelijker en meer in het binnenland. Het roodrugelfje (Malurus melanocephalus) heeft een rode rug en zwarte onderzijde en komt noordelijker voor. Vrouwtjes van alle elfjes lijken sterk op elkaar en zijn vaak alleen op gezelschap en gebied te plaatsen. Een 'vrouwtje' met zwarte snavel en blauwe staart is een mannetje in eclips.

Leefgebied

Droog eucalyptusbos met een dichte struik- en kruidlaag, oostelijke heide, ruigte langs kreken en rietkragen. In dorpen en steden houdt hij stand zolang er een aaneengesloten lage laag is: een tuin met struikgroepen en een heg volstaat, een gazon met losse bomen niet. Hij steekt zelden meer dan enkele tientallen meters open terrein over.

Verspreiding en trek

Het zuidoosten van Australië ten zuiden van de Steenbokskeerkring: van het zuidoosten van Zuid-Australië door Victoria en Nieuw-Zuid-Wales tot in het zuidoosten van Queensland, en over heel Tasmanië. Standvogel in de strengste zin: een groepje verdedigt jaarrond een terrein dat soms niet groter is dan een halve hectare, en de vogels blijven daar hun leven lang. In verstedelijkt gebied is hij verdwenen waar de struiklaag is opgeruimd, en teruggekeerd waar in parken opnieuw dicht is beplant.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek laag en zoek beweging: het groepje werkt zich door de onderste meter van een struikrand en verraadt zich door het ratelende liedje en de opgehouden staarten. In het voorjaar en de zomer, van september tot januari, draagt een baltsend mannetje soms een geel of paars bloemblaadje in de snavel dat hij aan een vrouwtje aanbiedt. Kijk in de wintermaanden juni en juli eerst naar snavel en staart voordat u een bruine vogel als vrouwtje noteert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over vrijwel het hele areaal algemeen. Katten en de uitheemse vos halen vogels uit lage dekking, en het opruimen van de struiklaag in parken en tuinen is de belangrijkste plaatselijke oorzaak van verdwijnen. Waar dichte beplanting terugkomt, komt de soort binnen enkele jaren mee terug.

Wetenschappelijke naam

Malurus cyaneus | (Ellis, 1782)

William Wade Ellis, scheepsarts op Cooks derde reis, beschreef de vogel in 1782 als Motacilla cyanea, bij de kwikstaarten; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vieillot voerde het geslacht Malurus in 1816 in, uit Grieks malos (zacht) en oura (staart). cyaneus is Latijn voor 'donkerblauw'. De typelocatie is Adventure Bay in het zuiden van Tasmanië, waar Cooks schepen in 1777 voor anker lagen.