Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Roodvleugelelfje
Roodvleugelelfje | Malurus elegans
Red-winged Fairywren | Maluro elegante
Het roodvleugelelfje is het langste elfje en het enige dat in nat bos leeft: het is gebonden aan de karri- en jarrahbossen van de zuidwesthoek van West-Australië. Het mannetje in broedkleed is zilverblauw waar zijn verwanten diepblauw zijn, met vuurrode schouders.
Geluid
Een hoge triller van één tot vier seconden, met tien tot twintig korte elementen per seconde; beide seksen zingen hem, vooral bij grensgeschillen, en het meest vlak voor en na zonsopgang. De vogels herkennen elkaar aan de zang alleen, en dat is voor deze soort proefondervindelijk vastgesteld. Foeragerende vogels houden contact met zachte, dalende sie-sie-sie-nootjes; het alarm is een luid, scherp tsit.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Vijftien centimeter, waarvan zeven en een halve centimeter staart. Het mannetje in broedkleed heeft een zilverblauwe kruin, zilverblauwe oorpluimen en zilverblauwe mantel, een zwarte keel en nek, helderrood-bruine schouders, een lange grijsbruine staart en vleugels en een grijswitte buik. Het eclipsmannetje is niet effen bruin maar bont gevlekt: grijs met losse blauwe veren op de kop en grijs met zwart op de borst. Het vrouwtje is grijsbruin met roestkleurige teugel en een bleekgrijze oogring — en anders dan bij de meeste elfjes is haar snavel zwart, niet roodbruin. Jonge mannetjes hebben na zes weken al zwarte teugels.
Verwarringssoorten
In de zuidwesthoek deelt hij het land met twee verwanten. Malurus pulcherrimus is de naaste verwant en zit in het drogere struweel aan de oostkant van het areaal; die is kleiner en heeft een violetblauwe borst. Malurus assimilis raakt aan de noordgrens en houdt eveneens droger terrein aan. Tussenvormen zijn nergens vastgesteld, wat de drie als aparte soorten bevestigt; in de praktijk is de vochtige bosondergroei met karri en jarrah het beste kenmerk. Het prachtelfje (Malurus splendens) komt in dezelfde hoek van het land voor maar is geheel blauw zonder rode schouder. Voor bruine vogels is de zwarte snavel van het vrouwtje een bruikbaar houvast, want de vrouwtjes van Malurus splendens en Malurus assimilis hebben daar een roodbruine snavel.
Leefgebied
De ondergroei van karri- en jarrahbos, met voorkeur voor vochtige beekdalen en zwaardzegge langs het water. Oud bos is minder in trek dan jonger, verstoord bos: na kap komen de vogels juist af op de dichte opslag. Na brand verdwijnen ze en keren ze na ongeveer twee jaar terug. Aanplant van dennen en eucalyptus is ongeschikt door het ontbreken van een onderlaag.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen de natte zuidwesthoek van West-Australië, van de Moore River ten noorden van Perth zuidwaarts tot de streek van Margaret River en oostwaarts tot Albany. Standvogel, in groepen die hun terrein jaarrond verdedigen. BirdLife International wijst onder meer Araluen-Wungong, Jalbarragup, Mundaring-Kalamunda, North Dandalup, de Stirling Range, Two Peoples Bay en Mount Manypeaks aan als sleutelgebieden.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in de onderlaag van een karribos langs een beek, en let op groepen: deze soort heeft, meer dan de andere elfjes, vrouwelijke helpers bij het nest, zodat u vaak meerdere volwassen vogels bij elkaar ziet. In één groep kunnen meerdere mannetjes tegelijk in broedkleed zijn. Een bontgevlekt mannetje in eclips is voor deze soort normaal en niet iets zieks of jongs.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en plaatselijk algemeen, maar er zijn aanwijzingen voor achteruitgang door het droogleggen van moerassige plekken in het bos. Brandbeheer is voor deze soort van direct belang: een brand vaagt de vogels uit een gebied weg en het duurt twee jaar voor ze terug zijn.
Wetenschappelijke naam
Malurus elegans | Gould, 1837
John Gould beschreef de soort in 1837 en gaf als vindplaats de oostkust van Australië, een vergissing die hij verbeterde toen John Gilbert materiaal uit het zuidwesten stuurde; de typelocatie is de Swan River. elegans is Latijn voor sierlijk. Mathews beschreef in 1916 de vogels van de zuidelijke karribossen als een aparte ondersoort op grond van donkerder vrouwtjes, maar dat verschil is later niet teruggevonden en de soort geldt nu als ondeelbaar; er is binnen de soort opvallend weinig verschil in maat of kleur.


