Alle soorten › Zangvogels › Sprinkhaanzangers › Roodstuitgrasvogel
Roodstuitgrasvogel | Cincloramphus mathewsi
Rufous Songlark | Yerbera de mathews
De roodstuitgrasvogel is in het Australische voorjaar bijna niet te ontlopen: vanaf september klinkt uit elk eucalyptusbosje met gras eronder een helder, ratelend fluitje, eindeloos herhaald, van een bruine vogel die van boom naar boom duikt en onderweg zingt. Zijn naam zit op de stuit, een warm roestrood vlak dat bij het wegvliegen oplicht en hem van zijn twee verwanten scheidt. Het is een trekvogel in eigen land: hij broedt in het zuiden en het binnenland en verdwijnt in de herfst naar het noorden.
Geluid
De zang is het kenmerk van de soort en van het Australische voorjaar: een helder, metaalachtig en ratelend deuntje van vier of vijf lettergrepen, in het Engels doorgaans weergegeven als witchety-witchety of a-witchoo, a-witchoo, dat eindeloos en met korte tussenpozen wordt herhaald. Het mannetje zingt vanaf een dode tak, vanaf een draad, en vooral in de vlucht: hij laat zich met stijve, trillende vleugelslag van de ene boom naar de andere zakken en zingt de hele overtocht door, wat de soort van ver al verraadt. Daarnaast is er een hard, droog tsjuk als contactroep. In de zomer, na het broeden, verstomt het gezang abrupt en wordt de vogel in hetzelfde bos ineens moeilijk te vinden.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke bruine zangvogel van zestien tot negentien centimeter met een lange staart, een opvallend lange en fijne, licht gebogen snavel en lange poten. De bovendelen zijn warm grijsbruin met fijne donkere streping op kruin en rug; de onderdelen zijn vuilwit tot licht beige, op de borst soms zwak gestreept. Het kenmerk waar alles om draait is de stuit: een warm roestrood tot kaneelkleurig vlak boven de staartbasis, dat in rust half onder de vleugel verborgen kan zitten maar bij het opvliegen meteen oplicht. Over het oog loopt een bleke wenkbrauwstreep met daaronder een donkere oogstreep. Het mannetje is groter dan het vrouwtje maar draagt hetzelfde verenkleed, anders dan bij de roetbruine grasvogel; jonge vogels zijn doffer en hebben een zwakkere stuitkleur.
Verwarringssoorten
De roetbruine grasvogel (Cincloramphus cruralis) is het grootste struikelblok, vooral het vrouwtje: die mist de roestrode stuit volledig, is forser van poot, zit op kale vlakten in plaats van in grasland met bomen, en het mannetje is bovendien egaal roetkleurig. De rosse grasvogel (Cincloramphus timoriensis) heeft de roestkleur op de kruin in plaats van op de stuit, heeft ongestreepte onderdelen en een kortere, stompere snavel, en houdt zich aan nat, rank gras. De spinifexzanger (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) (Poodytes carteri) van het binnenland is kleiner, draagt de staart rechtop en blijft in spinifexpollen. Ook de Australische pieper (Anthus australis) komt in beeld op de grond, maar die heeft witte buitenste staartpennen en een veel kortere snavel. In de praktijk is de zangvlucht van boom naar boom, gecombineerd met het oplichtende roestrode stuitvlak, afdoende.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en savanne met een grazige ondergroei, boomrijke weilanden, akkerranden met overstaanders, mulgastruweel (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) met gras eronder en de rivierbossen langs binnenlandse kreken. Anders dan de roetbruine grasvogel heeft deze soort bomen nodig: hij zingt vanuit de kroon en in de vlucht ertussen, en hij foerageert op de grond in het gras daaronder. De combinatie is bepalend — gras zonder bomen is te leeg, gesloten bos zonder gras te dicht. Vee-weiden met verspreide eucalyptussen zijn daarmee een van de beste plekken voor de soort geworden, en hij ontbreekt juist in het dichte natte bos van de oostkust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Vrijwel heel Australië behalve de Nullarbor en Tasmanië, met de grootste dichtheden in het zuidoostelijke binnenland en langs de binnenlandse rivierstelsels. De soort is een echte binnenlandse trekvogel: de zuidelijke populaties arriveren in augustus en september, broeden tot in december en trekken daarna naar het noorden weg, tot in het tropische noorden waar dan doortrekkers en overwinteraars verschijnen. Bovenop dat patroon ligt, zoals bij zoveel Australische vogels van het binnenland, een nomadische component die de regen volgt, zodat de aantallen per jaar en per streek flink verschillen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in september of oktober door open eucalyptusbos met gras en luister eenvoudigweg: de soort is in die maanden de opvallendste zanger van dat landschap en zingt vrijwel onophoudelijk. Volg het geluid en kijk naar de lucht tussen twee kronen, want de vogel zingt juist tijdens de oversteek. Let bij het wegvliegen op de stuit en niet op de rug; de roestkleur is het enige kenmerk dat op afstand en bij tegenlicht overeind blijft. Na Kerstmis loont het niet meer om op zang te zoeken en moet men het van de grond hebben, waar de vogel tussen het gras loopt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): de soort is wijdverspreid en plaatselijk zeer talrijk, en ze heeft baat gehad bij de omvorming van gesloten bos tot boomrijk weiland, een landschap waarin gras en zangposten naast elkaar liggen. De keerzijde is dat de vogel verdwijnt waar de laatste overstaanders uit het akkerland worden gehaald, want zonder bomen is het terrein onbruikbaar, en dat hij ook verdwijnt waar het gras door intensieve begrazing of jaarlijks maaien verdwijnt. In het zuidoosten wordt lokaal afname gemeld in streken waar de veedichtheid hoog is. Omdat het aantal broedvogels sterk met de regenval meebeweegt, zijn afzonderlijke slechte jaren geen teken aan de wand; alleen langlopende tellingen laten een trend zien, en die wijzen vooralsnog niet op een landelijke achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Cincloramphus mathewsi | Iredale, 1911
Iredale beschreef de vogel in 1911 als Cincloramphus rufescens mathewsi, naar materiaal uit Yalgoo in West-Australië; het epitheton eert Gregory Macalister Mathews, de Australische ornitholoog die in het begin van de twintigste eeuw het grote overzichtswerk van de Australische vogels samenstelde. Omdat de vogel in hetzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Cincloramphus werd in 1838 door Gould ingevoerd, uit het Griekse kinklos, de naam van een klein waadvogeltje, en rhamphos, 'snavel'. De Nederlandse naam roodstuitgrasvogel kiest het bruikbaarste veldkenmerk, evenals de Engelse Rufous Songlark; de Spaanse yerbera de Mathews houdt zich aan de eerbetuiging in de wetenschappelijke naam. Samen met de roetbruine en de rosse grasvogel is de soort in de eenentwintigste eeuw uit het ruime geslacht Megalurus gelicht, dat op moleculaire gronden in verschillende geslachten uiteen is gelegd.




