Alle soortenZangvogelsSprinkhaanzangers › Roetbruine grasvogel

Roetbruine grasvogel | Cincloramphus cruralis

Brown Songlark | Yerbera parda

De roetbruine grasvogel is de vogel van de lege binnenlandse vlakte: een boomloos landschap met alleen een afrasteringspaal om op te zitten, en daarop een roetkleurig mannetje dat een geluid maakt als een hek dat scharniert. Het is de zangvogel van Australië met het grootste verschil tussen de seksen: het mannetje weegt ongeveer twee keer zoveel als het vrouwtje en ziet er zo anders uit dat twee waarnemers hem gemakkelijk voor twee soorten aanzien. De soort volgt de regen; een streek waar hij het ene jaar overal zit, kan het volgende jaar leeg zijn.

Roetbruine grasvogel (Cincloramphus cruralis)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is droog, metalig en knarsend, alsof er aan een roestig scharnier wordt getrokken: een reeks van drie of vier lettergrepen die krakend omhoog en weer omlaag gaat en in het Engels van oudsher als skit-scot-a-wheeler wordt weergegeven. Het mannetje zingt vanaf een afrasteringspaal, een draad of een kluit, en vooral in de zangvlucht: hij stijgt fladderend op tot vijftien of twintig meter, laat de poten bungelen en zakt zingend weer omlaag. Het contactgeluid is een kort, hard tsjk. De zang draagt over een kale vlakte verrassend ver en is in het voorjaar op veel binnenlandse wegen het enige vogelgeluid dat men hoort; buiten het broedseizoen zwijgt de soort vrijwel geheel, wat mede verklaart waarom ze dan zo makkelijk wordt gemist.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke, langstaartige en langpotige zangvogel van het open gras, waarbij man en vrouw apart beschreven moeten worden. Het mannetje meet drieëntwintig tot vijfentwintig centimeter en is egaal donker roetbruin, in broedkleed op buik en borst bijna zwart, met een donkere snavel en donkere poten; hij houdt de lange staart vaak schuin omhoog en oogt op de paal opvallend rechtop. Het vrouwtje is met achttien tot negentien centimeter veel kleiner, bleek beigebruin met donkere streping op kruin en rug, vuilwit van onderen, en draagt een lichte wenkbrauwstreep. In de vlucht zijn de vleugels breed en de slag fladderend, en bij het mannetje hangen de poten los naar beneden. Op de grond loopt en rent de vogel met opgerichte houding door het gras in plaats van te huppen, en hij verdwijnt bij naderen liever lopend dan vliegend.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje is de moeilijkste vogel van het stel. De roodstuitgrasvogel (Cincloramphus mathewsi) is kleiner en bleker, heeft een duidelijk roestrode stuit die bij deze soort ontbreekt, een fijn gestreepte rug en een heel andere, helder fluitende zang; hij zit bovendien liever in grasland met verspreide bomen dan op de kale vlakte. De rosse grasvogel (Cincloramphus timoriensis) heeft een roodbruine kruin, ongestreepte onderdelen en zit in rank moerasgras aan de kust. De Australische pieper (Anthus australis) deelt het open terrein maar is kleiner, heeft witte buitenste staartpennen en wipt voortdurend met de staart, wat de grasvogel nooit doet. De oosterse struikleeuwerik (Mirafra javanica) is korter van staart en toont in de vlucht een roestkleurig vleugelveld. Doorslaggevend zijn bij het mannetje de egale roetkleur zonder streping en bij het vrouwtje de combinatie van lange poten, ontbrekende roestkleur op de stuit en het ontbreken van wit in de staart.

Leefgebied

Boomloos of vrijwel boomloos open land: het Mitchellgrasland van het binnenland, saltbush- (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en bluebushvlakten (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland), stoppelvelden, graanakkers, braakland, bermen en overbegraasde weiden. De vogel heeft twee dingen nodig en verder niets: gras of kruid dat hoog genoeg is om een nest op de grond in te verbergen, en een verhoogde uitkijk om vanaf te zingen. Afrasteringspalen, prikkeldraad en telefoonlijnen hebben die tweede voorwaarde over grote delen van het binnenland geleverd waar van nature niets uitstak, en de soort maakt daar volop gebruik van. Terrein dat kortgeschoren of helemaal kaal is wordt verlaten; terrein dat dichtgroeit met struiken evenzeer.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het hele Australische vasteland, met uitzondering van de noordelijke Kimberley, het noorden van het Noordelijk Territorium en het noorden van Kaap York; op Tasmanië is de vogel een onregelmatige gast. Er is geen vaste trekroute maar wel een duidelijk patroon: in het zuiden verschijnt de soort in het voorjaar om te broeden en trekt ze in de herfst grotendeels weg naar het noorden en het binnenland. Daaroverheen ligt een sterke nomadische beweging die de regen volgt; na goede regenval in het binnenland kunnen er plotseling duizenden vogels zitten in een streek die het jaar daarvoor leeg was, en in droogtejaren schuift de hele populatie naar de randen van het continent op.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in het voorjaar een binnenlandse weg af en kijk niet naar het gras maar naar de afrasteringspalen en de draad: een donkere, rechtopstaande vogel met een lange staart op een paal is in dit landschap vrijwel zeker een mannetje. Stop bij de eerste zang en wacht een minuut; het dier hervat de zangvlucht meestal snel, en dan zijn de bungelende poten op honderd meter al te zien. Het vrouwtje zit bijna altijd in het gras en verraadt zich hoogstens door een korte, lage vlucht van de ene pol naar de andere. Op dagen met harde wind zwijgt de soort en is ze in hetzelfde terrein nauwelijks te vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het areaal is enorm en de soort is over grote delen van het binnenland talrijk. De sterke schommelingen met de regenval maken het lastig om een echte trend af te lezen, want een jaar met weinig vogels in een streek zegt op zichzelf niets. Wel is de soort verdwenen of sterk afgenomen in gebieden waar het graan intensief en zonder braak wordt verbouwd en waar de bermen jaarlijks worden gemaaid, omdat daar geen gras overblijft dat hoog genoeg is voor een nest. Overbegrazing werkt op dezelfde manier: de uitkijkposten blijven staan, maar de dekking verdwijnt. Daartegenover staat dat het uitzetten van afrasteringen en leidingen de soort in van nature volstrekt kale vlakten juist aan zangposten heeft geholpen. Op de langere termijn is de voornaamste onzekerheid de vraag hoe een droger binnenland de nomadische beweging zal beperken.

Wetenschappelijke naam

Cincloramphus cruralis | (Vigors & Horsfield, 1827)

Vigors en Horsfield beschreven de vogel in 1827 als Megalurus cruralis, naar materiaal uit de omgeving van Sydney; omdat de soort inmiddels in een ander geslacht staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gould voerde het geslacht Cincloramphus in 1838 in, gevormd uit het Griekse kinklos, de naam van een klein waadvogeltje, en rhamphos, 'snavel'. Het epitheton cruralis is Latijn en betekent 'van het onderbeen', van crus, 'scheen' — een raak gekozen woord voor een vogel met zulke lange poten die hij in de zangvlucht bovendien demonstratief laat hangen. De Nederlandse naam roetbruine grasvogel kiest de kleur van het mannetje, de Engelse Brown Songlark en de Spaanse yerbera parda doen hetzelfde; geen van de drie namen verwijst naar het vrouwtje, dat er heel anders uitziet. Met de leeuweriken heeft de vogel niets te maken: de familie Locustellidae staat bij de zangers, en de Engelse naam berust op de zang en niet op verwantschap.