Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Australische karekiet
Australische karekiet | Acrocephalus australis
Australian Reed Warbler | Carricero australiano
De Australische karekiet is de stem van elk Australisch rietveld: een egaal bruine zanger van een centimeter of zestien die zich schrap zet tussen twee rietstengels en met open snavel het hele moeras overstemt. Zien doe je hem zelden langer dan een paar seconden, want zodra het lied uit is laat hij zich in de dekking zakken. In het zuiden is hij een zomervogel; in het noorden blijft hij het hele jaar.
Geluid
De zang is luid, rauw en vrolijk tegelijk, met een vaste opbouw van herhaalde groepjes: tsjwie-tsjwie-tsjwie, kwarty-kwarty-kwarty, doorspekt met fluitende en metalige noten. Van oktober tot februari zingen de mannetjes de hele dag en een groot deel van de nacht door. Bij verstoring klinkt een hard, kort tsjak en een raspend gescheld dat door het riet rolt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke zanger van ongeveer zestien centimeter, egaal olijfbruin boven met een roodbruine stuit en een vuilwitte, licht goudoranje aangelopen onderzijde. Kenmerkend zijn de lange, spitse snavel van bijna twee centimeter met een flauwe haak, het platte voorhoofd en de vage lichte wenkbrauwstreep die vlak achter het oog ophoudt. De staart is breed en afgerond. Man en vrouw zijn niet te onderscheiden; jonge vogels zijn warmer beige op de onderzijde. Hij klimt verticaal langs stengels, met de poten wijd.
Verwarringssoorten
Poodytes gramineus zit in hetzelfde riet maar is kleiner, duidelijk gestreept op kruin en rug, en laat een klagend fluitje van twee of drie noten horen in plaats van een luide strofe. Cincloramphus timoriensis is roodbruiner op de kruin en heeft een lange, spitse staart. In het uiterste noorden is Acrocephalus orientalis een zeldzame gast uit Azië: forser, met fijne streepjes op de keel en een langere handpenprojectie. Zangers zonder zang zijn hier eerlijk gezegd vaak niet op naam te brengen.
Leefgebied
Dicht, verticaal riet en lisdodde in ondiep water: moeras, billabong, de rietkraag van meren, poelen en stuwmeren en de begroeide oever van kreken en rivieren. Zoet water heeft de voorkeur, maar hij zit ook in brak riet en in getijdenkreken. Waar riet ontbreekt neemt hij hoog gewas, bamboe of lantana over, tot in stedelijke retentievijvers toe.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel heel Australië, overal waar permanent of tijdelijk riet staat, en door tot in Nieuw-Guinea. Op Tasmanië en in het zuidwesten broedt een eigen ondersoort. Vogels van het zuidoosten en zuidwesten zijn trekkers: ze komen in september en oktober aan, broeden tot in februari en trekken daarna noordwaarts, waar ze zich onder de standvogels mengen. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in december langs een rietkraag en blijf staan bij het eerste luide gezang; de zanger zit meestal binnen tien meter, halverwege een stengel, met de kop schuin omhoog. Fluit zacht terug of maak een psjt-geluid: hij komt vaak even naar de rand van het riet kijken. Zoek in dezelfde kraag naar het diepe, komvormige nest dat als een kokertje tussen drie of vier stengels is gevlochten, een halve meter boven het water.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en een van de talrijkste rietvogels van het continent. Hij profiteert van kunstmatig water — veedammen, irrigatiekanalen, rioolwaterbekkens en stadsvijvers raken binnen enkele jaren bezet zodra er riet in staat. Waar moerassen worden gedraineerd of rietkragen jaarlijks worden gemaaid of gebrand verdwijnt hij wel meteen; het gaat de soort dus goed zolang er ergens riet blijft staan.
Wetenschappelijke naam
Acrocephalus australis | (Gould, 1838)
Gould beschreef de vogel in 1838, in een ander geslacht dan waarin hij nu staat; daarom staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door de gebroeders Naumann, uit het Griekse akros, 'hoogste, bovenste', en kephale, 'kop' — een naam die op de spitse kruin van de zingende vogel doelt. australis is Latijn voor 'zuidelijk'. Het type kwam uit Nieuw-Zuid-Wales. De soort is lang als een vorm van de Aziatische A. stentoreus beschouwd.



