Alle soortenZangvogelsSprinkhaanzangers › Rosse grasvogel

Rosse grasvogel | Cincloramphus timoriensis

Tawny Grassbird | Yerbera leonada

De rosse grasvogel is de grasvogel van het natte gras: waar de andere twee van het geslacht de droge vlakte en het open bos hebben genomen, houdt deze soort zich aan rank rietgras, moerasranden en suikerrietvelden langs de noordelijke en oostelijke kust. Hij draagt zijn roestkleur op de kruin in plaats van op de stuit, heeft een lange getrapte staart en korte ronde vleugels, en vliegt liever helemaal niet. Wie hem wil zien moet wachten op de zangvlucht, want dat is zo ongeveer het enige moment waarop de vogel boven het gras uitkomt.

Rosse grasvogel (Cincloramphus timoriensis)
Foto: Paul Balfe — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ratelende, krassende en enigszins buikige zang die in de zangvlucht wordt uitgestoten: de vogel klimt met fladderende slag een meter of tien tot vijftien boven het gras uit, zingt een rommelende reeks en laat zich daarna met gespreide staart en hangende poten weer in de vegetatie vallen. Onderweg klinkt een karakteristiek, dalend sput-sput-sput dat afzakt als een bandje dat trager wordt afgespeeld. Uit het gras komen daarnaast harde, droge tikken en een scherp tsjak wanneer de vogels verontrust zijn. De zang klinkt vooral in de vroege ochtend en in de uren voor zonsondergang en is bij vochtig, windstil weer op honderden meters te horen; op winderige dagen zwijgt de soort en is zij in hetzelfde veld nauwelijks aan te tonen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Zestien tot negentien centimeter, waarvan een groot deel staart: die is lang, sterk getrapt en oogt vaak rafelig, en wordt in de vlucht wijd gespreid. De kruin is warm roodbruin tot kaneelkleurig en vormt een duidelijke pet, die bij goed licht het snelst in het oog springt. De rug en de vleugeldekveren zijn bruin met zware donkere streping, wat een geschubde indruk geeft; de onderdelen zijn daarentegen effen licht beige tot vuilwit en dragen geen streping, en dat contrast tussen een gestreepte bovenkant en een ongestreepte onderkant is het tweede sleutelkenmerk. Over het oog loopt een vage bleke wenkbrauwstreep. De snavel is kort en fijn, de poten stevig en vleeskleurig. Man en vrouw zien er gelijk uit; jonge vogels zijn geler van onderen en hebben een doffere kruin.

Verwarrings­soorten

De dwerggrasvogel (Poodytes gramineus) deelt het moeras maar is duidelijk kleiner, donkerder, en fijn gestreept op kruin én borst — juist die gestreepte borst ontbreekt bij de rosse grasvogel. De roodstuitgrasvogel (Cincloramphus mathewsi) heeft de roestkleur op de stuit in plaats van op de kruin, een langere en fijnere snavel, en zingt vliegend van boom naar boom in droog open bos. De roetbruine grasvogel (Cincloramphus cruralis) is groter, langpotiger en zit op kale vlakten. De Australische karekiet (Acrocephalus australis) zit in hetzelfde riet maar is egaal olijfbruin zonder enige streping, heeft een langere, rechte snavel en een veel luidruchtiger, ratelende zang. De goudkopgraszanger (Cisticola exilis) is met tien centimeter maar half zo groot en heeft een veel kortere staart. Doorslaggevend is de combinatie van roestbruine pet, gestreepte rug en effen onderdelen.

Leefgebied

Rank, hoog gras op vochtige bodem: de randen van zoetwatermoerassen en rietkragen, natte graslanden en overstromingsvlakten, gras onder melaleucamoerasbos, blady grass op open plekken in de tropische savanne, en in het oosten in ruime mate de suikerrietvelden en verruigde slootkanten die daarbij horen. De vogel heeft dekking op ooghoogte nodig en een bodem die vochtig genoeg is om dat gras rank te houden; zodra het gras wordt gemaaid, afgebrand of kortgegraasd is de plek leeg, en zodra er struiken doorheen groeien verdwijnt hij eveneens. Na brand of maaien komt hij terug zodra het gras weer een meter hoog staat, wat het beeld oplevert van een soort die met de rotatie van het land meeschuift.

Verspreiding en trek

In Australië langs de noordelijke en oostelijke kust en de daarachter liggende laaglanden: van de Kimberley over het Noordelijk Territorium en de Golf van Carpentaria tot Kaap York, en vandaar zuidwaarts langs de oostkust van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales tot ongeveer de hoogte van Sydney. Daarbuiten strekt het areaal van de soort zich in ruime zin uit over Nieuw-Guinea en delen van de Indo-Australische archipel tot Timor, de typelocatie. De Australische vogels zijn standvogels zonder trek van betekenis; hoogstens verschuiven zij lokaal met het droogvallen en weer vollopen van moerassen. Een deel van de eilandpopulaties, met name die van Nieuw-Guinea, wordt in recente indelingen als afzonderlijke soort Cincloramphus macrurus behandeld, waarmee de omvang van Cincloramphus timoriensis nog niet definitief vastligt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in de vroege ochtend langs een moerasrand of een suikerrietblok met verruigde kant en kijk vooral omhoog, niet in het gras: de kans om de vogel te zien zit vrijwel geheel in de zangvlucht, en die duurt maar een paar seconden. Ga op een punt staan waar men over het gras heen kijkt en wacht tot er een vogel opklimt; het dalende sput-sput waarmee hij terugvalt geeft dan meteen de plek aan. Wie op de grond zoekt ziet hooguit een bruine schim die met slepende staart een paar meter verderop weer in het gras duikt. Op winderige dagen is de zoektocht meestal vergeefs.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het areaal is groot, de soort is plaatselijk talrijk, en zij heeft zich opvallend goed aangepast aan een door mensen gemaakt landschap. De suikerrietstreek van de oostkust van Queensland levert precies het rank, hoog gras op vochtige bodem dat zij nodig heeft, en de soort bewoont daar zowel de randen van de blokken als de verruigde bermen en sloten ertussen. De kwetsbaarheid zit in het tempo van het beheer: rietvelden die tot aan de slootkant worden geoogst en afgebrand, moerasranden die worden drooggelegd en graslanden die jaarlijks worden verbrand, houden de vegetatie te kort voor een nest. Grootschalige drooglegging van kustmoerassen in het noorden en oosten is daarmee het enige verlies van betekenis; daar staat tegenover dat de soort verruigd land snel opnieuw bezet.

Wetenschappelijke naam

Cincloramphus timoriensis | (Wallace, 1864)

Wallace beschreef de vogel in 1864 als Megalurus timoriensis, naar materiaal van Timor; omdat de soort inmiddels in een ander geslacht staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton timoriensis betekent eenvoudig 'van Timor' en wijst dus niet op Australië, wat aangeeft hoe ruim het soortbegrip oorspronkelijk werd opgevat. Het geslacht Cincloramphus werd in 1838 door Gould ingevoerd, uit het Griekse kinklos, de naam van een klein waadvogeltje, en rhamphos, 'snavel'; de soort is er samen met de roetbruine en de roodstuitgrasvogel in de eenentwintigste eeuw uit het ruime geslacht Megalurus naartoe verplaatst, nadat moleculair onderzoek had laten zien dat dat geslacht een verzameling van niet nauw verwante vogels was. De Nederlandse naam rosse grasvogel en de Spaanse yerbera leonada kiezen de algehele kleurtoon; de Engelse Tawny Grassbird doet hetzelfde.