Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Siberische wulp
Siberische wulp | Numenius madagascariensis
Far Eastern Curlew | Zarapito siberiano
De siberische wulp is de grootste steltloper ter wereld: een forse, egaal bruin gestreepte vogel van ruim zestig centimeter met een sikkelvormige snavel die bij het vrouwtje bijna twintig centimeter haalt. Driekwart van de wereldstand overwintert in Australië, en juist daarom is Australië ook de plek waar zijn achteruitgang het zichtbaarst is. In dertig jaar is de soort van niet bedreigd naar bedreigd geschoven.
Geluid
De roep is een luid, klaaglijk en oplopend koe-oe-rr-lie, dat over een hele baai draagt en meestal het eerste is wat je van een groepje merkt; hij wordt zowel in de vlucht als op de grond gegeven. Bij verstoring op de rustplaats gaat dat over in een snel herhaald, alarmerend kier-kier-kier waarop de hele groep opvliegt. De toon is somber en gerekt, waar de regenwulp juist een vrolijk, gelijkmatig ratelfluitje laat horen — dat verschil alleen al determineert de twee.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een zeer grote, langbenige steltloper van zestig tot zesenzestig centimeter, spanwijdte ongeveer honderdtien centimeter en rond de negenhonderd gram. Alles aan hem is lang: de hals, de poten en vooral de snavel, die dertien tot twintig centimeter meet, in een gelijkmatige boog omlaag kromt en bij het vrouwtje gemiddeld honderdvijfentachtig millimeter haalt tegenover duidelijk minder bij het mannetje; de basis van de ondersnavel is vleeskleurig, de rest donker. De poten zijn lang en blauwgrijs. Het kleed is door en door bruin gestreept, ook op de buik, zonder wit in het verenkleed, en de kop is gelijkmatig gestreept zonder kruinstrepen. In de vlucht valt vooral op wat er níét is: geen witte wig op de rug, geen bleke stuit, en een egaal bruine ondervleugel.
Verwarringssoorten
De regenwulp (Numenius phaeopus) is het belangrijkste alternatief en staat vaak in dezelfde groep: veel kleiner, met een snavel van maar acht tot negen centimeter die eerder een knik dan een boog vormt, en met een streepjespatroon op de kruin — een lichte middenstreep tussen twee donkere banden — dat de siberische wulp volledig mist. De wulp (Numenius arquata), hier een dwaalgast, is bijna even groot en heeft een even lange gebogen snavel, en dat is de lastigste vergelijking van dit trio: kijk naar de vlucht, want de wulp toont een opvallende witte wig van de stuit de rug op en een vrijwel witte ondervleugel, terwijl de siberische wulp overal bruin blijft. De kleine regenwulp (Numenius minutus) is nauwelijks half zo groot en zit meestal op droog grasland. Grutto's hebben een rechte of licht opgewipte snavel.
Leefgebied
Intergetijdenslik en zandplaten op beschutte kusten, vaak met zeegrasvelden: estuaria, mangrovebaaien, havens en lagunes. Daar zoekt hij traag en overwogen naar kleine krabben en schelpdieren, die hij met de lange snavel diep uit hun gangen haalt. Bij hoogwater wijkt hij uit naar kwelders met samphire, zandbanken, zoutvelden en het open deel van mangrovegebieden. Binnenlands verschijnt hij zelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid langs de kust van noordoostelijk en zuidelijk Australië, inclusief Tasmanië, met verspreide plaatsen elders langs de kust; hij komt in elke deelstaat voor maar vrijwel nooit in het binnenland. De belangrijkste concentraties liggen in Moreton Bay bij Brisbane, in de baaien van Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, en langs de noordkust. De vogels vertrekken van half juli tot eind september uit de broedgebieden, komen vooral in augustus aan, bereiken de oostkust in grote aantallen van september tot november, en vertrekken weer van eind februari tot maart. In Nieuw-Zeeland gaat het om kleine aantallen, met de Manukau Harbour en de Firth of Thames als vaste plekken; op Norfolk is hij een zeldzaamheid.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga bij opkomend tij naar een grote rustplaats in Moreton Bay, de Hunter-estuarium of Western Port en zoek de vogel die kop en schouders boven de grutto's uitsteekt; zijn silhouet alleen is al genoeg. Sta ver genoeg weg en blijf zitten: deze soort is de schuwste steltloper van de Australische kust en een groep die driemaal per getij opvliegt, verbrandt de vetreserve die hij voor de trek naar Siberië nodig heeft. Meld je tellingen aan een wadvogelteam, want de trend van deze soort wordt bijna geheel uit Australische tellingen afgeleid.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN) op de wereldlijst en in Australië nog een stap hoger, als ernstig bedreigd op de federale lijst sinds 2015. De reeks spreekt voor zich: tot 2009 gold hij als niet in gevaar, in 2010 werd hij kwetsbaar en in 2015 bedreigd. De wereldstand wordt nu op twintig- tot vijfendertigduizend volwassen vogels geschat. De oorzaak ligt halverwege de trekweg: meer dan vijfenzestig procent van het wad rond de Gele Zee is ingepolderd of verloren gegaan, en zonder die tussenstop halen de vogels het broedgebied in Siberië niet. Daar bovenop komen in Australië het verlies van slikplaten aan havenuitbreiding en stedelijke groei, verstoring van de rustplaatsen door honden, voertuigen en wandelaars, en op termijn het verdrinken van de platen door zeespiegelstijging. Omdat driekwart van de wereldstand hier overwintert, is bescherming van de Australische rustplaatsen geen plaatselijke maar een mondiale maatregel.
Wetenschappelijke naam
Numenius madagascariensis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de vogel in 1766 als Scolopax madagascariensis, naar de beschrijving die Brisson zes jaar eerder had gegeven; door de latere verplaatsing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton is een blijvende vergissing: Brisson dacht dat zijn exemplaar van Madagaskar kwam, maar de typelocatie is Makassar op Celebes, en de soort is op Madagaskar nooit waargenomen. De geslachtsnaam Numenius gaat terug op het Griekse noumenios, 'nieuwe maan', naar de sikkelvorm van de snavel. De Nederlandse en de Engelse naam wijzen allebei, terecht, naar het broedgebied in het verre oosten van Siberië.



