Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Violette purperspreeuw
Violette purperspreeuw | Aplonis metallica
Metallic Starling | Estornino lustroso
De violette purperspreeuw is de enige spreeuw die in Australië inheems broedt, en hij doet dat op de meest opvallende manier denkbaar: met honderden tot vierhonderd hangende nesten in één enkele hoge boom, boven een grond die wit ziet van de mest en een herrie die een straat verderop nog te horen is. Hij komt in de winter uit Nieuw-Guinea aan, broedt de hele zomer door en vertrekt in februari of maart weer.
Geluid
Een kolonie produceert een aanhoudend, hoog getjilp en gekwetter dat van dichtbij oorverdovend is en nooit stilvalt zolang het licht is. Losse vogels laten een helder, iets metaalachtig tsjie-oe horen, en in de vlucht een kort, scherp gekwek. Bij een sperwer of een slang in de kolonieboom slaat het gekwetter om in een golf van rauw alarm die door de hele boom trekt en dan even abrupt weer wegsterft.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke spreeuw van twee- à vierentwintig centimeter, geheel zwart met een groene en paarse metaalglans die pas in vol licht opvlamt, met een lange, spits toelopende en licht gevorkte staart en een brandend rood oog. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels zijn heel anders: wit tot vuilwit van onderen met scherpe zwarte lengtestrepen, donkerbruin van boven, en ook zij hebben het rode oog. Vaak zitten oude en jonge vogels naast elkaar op dezelfde tak, wat het verschil meteen duidelijk maakt.
Verwarringssoorten
De orpheuspurperspreeuw (Aplonis cantoroides) uit Nieuw-Guinea komt tot op de eilanden van de Straat Torres: kleiner, met een korte, recht afgesneden staart in plaats van de lange spitse punt. De spreeuw (Sturnus vulgaris) is ingevoerd, korter van staart, gespikkeld in de winter en houdt zich aan open land en bebouwing in plaats van aan regenwoud. Een jonge purperspreeuw met zijn gestreepte onderzijde lijkt op niets anders in het natte tropische bos.
Leefgebied
Tropisch regenwoud en de randen daarvan, moessonbos en lianenstruweel, mangrove en de tuinen en straatbomen van de kustplaatsen tussen Cairns en Mackay. De kolonieboom is bijna altijd een hoge, vrijstaande emergent — vaak een kwatelboom, een vijg of een geïmporteerde palm — met open lucht eromheen. Voedsel zoekt hij in vruchtdragende bomen, vooral wilde nootmuskaat, vijgen en palmvruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië alleen langs de kust en de aangrenzende laaglanden van noordoostelijk Queensland, van het noorden van Kaap York zuidwaarts tot de omgeving van Mackay. Het is een zomervogel: de eerste vogels komen in juli en augustus over de Straat Torres, de kolonies lopen vol van augustus tot januari en in februari en maart trekt vrijwel alles terug naar Nieuw-Guinea en de eilanden daaromheen. Een klein aantal blijft in het uiterste noorden hangen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek niet de vogel maar de boom: een kolonieboom is van ver te zien aan de tientallen bruine, peervormige nesten die als vruchten aan de buitenste takken hangen. Ga in de vroege ochtend van december of januari onder zo'n boom staan en kijk omhoog tegen de lucht in, want dan vangt het licht de groene glans. Blijf uit de mest en let op waar je je verrekijker legt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort is talrijk in Nieuw-Guinea en het Australische deel van de populatie is stabiel. De kwetsbaarheid zit in de concentratie: één omgezaagde kolonieboom kost in één keer honderden nesten. In Cairns en omliggende plaatsen zijn kolonies verwijderd vanwege geluidsoverlast en mest, en dat is er nu vergunningplichtig; de soort is beschermd onder de Queenslandse natuurwetgeving.
Wetenschappelijke naam
Aplonis metallica | (Temminck, 1824)
Temminck beschreef de vogel in 1824 als Lamprotornis metallicus; omdat hij later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aplonis werd in 1836 ingevoerd door Gould, naar het Griekse haploos, 'eenvoudig', en ornis, 'vogel' — een naam die de eenvoudige, tekeningloze kleedjes van de groep bedoelt. metallica is Latijn voor 'metaalachtig', naar de glans. De typelocatie is Ambon in de Molukken.



