Alle soortenZangvogelsSpreeuwen › Spreeuw

Spreeuw | Sturnus vulgaris

Common Starling | Estornino pinto

De spreeuw is hier een ingevoerde vogel, in de negentiende eeuw losgelaten door acclimatisatiegenootschappen die dachten dat hij de insecten van de akkers zou opruimen. Hij heeft zuidoostelijk Australië, Tasmanië en heel Nieuw-Zeeland bezet en is een van de talrijkste vogels van beide landen geworden. Alleen West-Australië houdt hem nog buiten de deur, met een grensbewaking die al meer dan een halve eeuw loopt.

Spreeuw (Sturnus vulgaris)
Foto: Bernard Spragg. NZ — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, ongemuzikale reeks van piepende fluittonen, klikken, krassende noten en een oplopend gejengel, gezongen vanaf een dakrand, een antenne of een paal, met klapperende vleugels erbij. Tussendoor bootst hij andere vogels na en in de stad ook autoalarmen en telefoons; in Australië neemt hij graag de roep van weidevogels over. Een slaapplaats van duizenden vogels geeft in de schemering een aanzwellend gorgelend geruis.

Luister: ZangXC1161606

Opname: Philippe_Grange — CC0 · Arrondissement de la Roche-sur-Yon (near La Roche-sur-Yon), Vendée, Pays de la Loire, France · xeno-canto

Herkenning

Een compacte, kortstaartige zwarte vogel van twintig tot tweeëntwintig centimeter met een driehoekige vleugel en een rechte, snelle vlucht. In het verse kleed van maart en april is hij dicht bezet met witte veerpunten en heeft hij een donkere snavel en bruine poten; tegen het broeden in augustus zijn de punten weggesleten en is de vogel glanzend zwart met paarse en groene weerschijn en een gele snavel. Jonge vogels zijn egaal grijsbruin met een lichte keel. Op de grond loopt hij, hij huppelt niet.

Verwarrings­soorten

De treurmaina (Acridotheres tristis) deelt de stad met hem maar is bruin met een zwarte kop, gele snavel, gele poten en een groot wit vleugelveld. De tuinhoningeter (Manorina melanocephala) is inheems, grijs, en heeft eveneens een gele snavel en gele huid om het oog. De violette purperspreeuw (Aplonis metallica) van de natte tropen heeft een lange spitse staart en een rood oog. Een jonge spreeuw is grijsbruin en verwarrend saai; let dan op de gedrongen bouw en de korte staart.

Leefgebied

Stad en dorp, weiland en beweid extensief weidegebied, graanakkers, boomgaarden en wijngaarden, tuinen en parken. Hij heeft twee dingen nodig: kort gras of kale grond om in te steken, en een holte om in te nestelen — een boomholte, een dakpan, een spouw of een verkeersbord. Gesloten inheems bos meidt hij, al broedt hij aan de bosrand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In Australië van Zuid-Australië door Victoria, Tasmanië en Nieuw-Zuid-Wales tot in zuidelijk en midden-Queensland, met uitlopers landinwaarts langs de bewoning. In Nieuw-Zeeland overal, van zeeniveau tot vijftienhonderd meter, op beide hoofdeilanden en op talloze eilanden eromheen, en ook op Norfolk. In West-Australië ontbreekt hij: elke vogel die langs de Nullarbor binnenkomt wordt opgespoord en weggehaald.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de winterschemering bij een rij plataanbomen in het centrum van een stad staan en kijk naar de slaapplaats: de zwermen komen laag over en draaien voor ze invallen. Wil je het kleed goed zien, zoek dan in april een vogel op een schuurdak: dan staan de witte punten op hun scherpst. In augustus verraadt de gele snavel van een zingend mannetje de broedtijd.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en hier gaat het niet om zijn voortbestaan maar om de schade. Hij verdringt inheemse holenbroeders — rozella's, papegaaien, diamantvogels — uit hun nestholten, vervuilt veestallen en vreet zich vol aan druiven, kersen en zacht fruit. In West-Australië loopt sinds 1971 een uitroeiingsprogramma dat de staat vrij houdt; in Nieuw-Zeeland geldt hij als genaturaliseerd en wordt hij plaatselijk gewaardeerd om het opruimen van graslandkevers.

Wetenschappelijke naam

Sturnus vulgaris | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de vogel in 1758 al als Sturnus vulgaris, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Sturnus is gewoon het Latijnse woord voor spreeuw, dat Linnaeus in hetzelfde jaar als geslachtsnaam invoerde. vulgaris betekent 'gewoon' of 'algemeen'. De typelocatie is Zweden; het is dus de Europese vogel die hier in de negentiende eeuw aan wal is gezet.