Alle soorten › Zangvogels › Kwartellijsters › Westelijke kwartellijster
Westelijke kwartellijster | Cinclosoma marginatum
Western Quail-thrush | Zordala occidental
De westelijke kwartellijster loopt over de stenige ruggen en breakaways van west-centraal Australië, van de Pilbara tot de Goldfields. Tot voor kort gold hij als de westelijke ondersoort van de bruinborstkwartellijster; sinds de herziening van het complex is hij een eigen soort, met een areaal dat ruim tweeduizend kilometer van dat van zijn oostelijke tegenhanger ligt. De lichte zomen op rug en schouder, waaraan hij zijn naam dankt, zijn zijn enige eigen kenmerk — en een zwak kenmerk.
Geluid
Een zeer hoge, dunne, aanhoudende fluittoon die over de vlakte draagt en niet te peilen is, met daarnaast een kort, hard tsjip als contactgeluid tussen de vogels van een paar. De roep verschilt niet betrouwbaar beschreven van die van de bruinborstkwartellijster, wat te verwachten is bij twee vormen die tot voor kort als één soort golden; geluid is bij deze twee dus geen determinatiesleutel. Het mannetje roept in de eerste uren na zonsopgang, vanaf een steen of gewoon vanaf de grond, en zwijgt in de hitte van de dag volkomen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Negentien tot tweeëntwintig centimeter, met een zware kop, korte ronde vleugels, stevige poten en een middellange staart met witte punten. Het mannetje heeft grijsbruine tot zandbruine bovendelen waarvan de veren lichte, bleke zomen dragen, zodat de rug een fijn geschubd voorkomen krijgt; verder een scherpe witte wenkbrauwstreep, een zwarte keel met een witte vlek in de baardstreek, en een kaneelbruine borstband die smaller en valer is dan bij de bruinborstkwartellijster en aan de onderkant door een zwarte band van de witte buik wordt gescheiden. De flanken zijn zwart met witte strepen. Het vrouwtje is doffer, met een grijze keel, een beige wenkbrauwstreep en een flauwe borstband. Opvliegen gaat laat en laag, met wit in de staarthoeken.
Verwarringssoorten
Zonder bekend areaal is veldherkenning hier vaak niet mogelijk — bij deze soort geldt dat sterker dan bij welke andere van de zes ook. Cinclosoma castaneothorax, de bruinborstkwartellijster, is de oostelijke tegenhanger en werd tot de recente herziening als één soort met deze vogel behandeld; hij heeft een bredere, warmer bruine borstband en mist de bleke zomen op rug en schouder, maar dat is een verschil dat in het veld bij ander licht of bij versleten veren eenvoudigweg verdwijnt. Het areaal is hier het enige harde gegeven: castaneothorax zit in Queensland en noordwestelijk Nieuw-Zuid-Wales, deze soort ruim tweeduizend kilometer westelijker. Cinclosoma cinnamomeum is kleiner, warmer kaneelbruin, heeft een zwarte in plaats van een bruine borstband en zit oostelijker, in het Lake Eyre-bekken. Cinclosoma alisteri is duidelijk kleiner en zandgrijs en zit uitsluitend op de Nullarborvlakte. Cinclosoma clarum en Cinclosoma castanotum zijn beide een stuk groter en zwaarder, met een koperkleurige respectievelijk kastanjebruine rug en een geheel zwarte borst zonder bruine band; clarum kan in het zuiden van dit areaal in de buurt komen, maar het formaatverschil is dan het snelste kenmerk. De gevlekte kwartellijster (Cinclosoma punctatum) komt in West-Australië niet voor.
Leefgebied
Stenig, open, laag begroeid droog land: mulga en ander acaciastruweel op grind, spinifexpollen op steenachtige hellingen en ruggen, gibbervlakten met verspreide struiken, en de breakaways en tafelbergjes waar losse steen en dekking samenkomen. Anders dan de roodrug- en de koperrugkwartellijster is dit geen vogel van mallee of woodland: hij heeft steen onder zijn poten nodig. Zandduinwoestijn zonder steen wordt gemeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
West-centraal Australië: van de Pilbara in het noordwesten zuidwaarts tot omstreeks Southern Cross in de Goldfields van West-Australië, en oostwaarts tot in het zuidwesten van het Noordelijk Territorium. Standvogel met een vast terrein. Over de aantallen is weinig bekend, wat vooral zegt hoe dunbevolkt en slecht bereisd dit deel van Australië is. De oorspronkelijke typelocatie werd bij de beschrijving als 'noordwestelijk Australië' opgegeven en door Mathews in 1930 'verbeterd' naar het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales — een verbetering die voor een uitsluitend westelijke vogel niet kan kloppen en die de verwarring rond dit complex goed illustreert.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in het eerste uur na zonsopgang langzaam over een grindbaan door mulga op steen en stop bij elke breakaway of stenige rug. Loop een stuk te voet en blijf staan; de vogel loopt weg en vliegt pas op als u er vlak bij bent. Fotografeer als het kan de rug en de schouder, want de bleke veerzomen zijn op een scherpe foto beter te beoordelen dan door de kijker. En noteer de plaats: bij deze soort is de kaart het zwaarste bewijsstuk dat u heeft.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd volgens de wereldlijsten, met een groot areaal in land dat voor de landbouw ongeschikt is. De zorgen zijn dezelfde als bij de verwanten van het droge binnenland: begrazing door vee, verwilderde geiten en kamelen neemt de lage struik- en kruidlaag weg waarin de vogel dekking en voedsel vindt, en de verwilderde kat is voor een grondbroeder gevaarlijk. Mijnbouw en de bijbehorende wegen en kampen hebben in de Pilbara en de Goldfields plaatselijk gevolgen. Doordat de soort pas onlangs is afgesplitst, zijn oudere tellingen niet aan de huidige soortgrens toe te rekenen en is de gegevensbasis dun.
Wetenschappelijke naam
Cinclosoma marginatum | Sharpe, 1883
Richard Bowdler Sharpe beschreef de vogel in 1883 als Cinclosoma marginatum in de Catalogue of the Birds in the British Museum, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Vigors en Horsfield voerden Cinclosoma in 1827 in, uit Grieks kinklos (een niet nader bepaalde oevervogel) en soma (lichaam). Het epitheton marginatum is Latijn voor 'omzoomd, van een rand voorzien', naar de bleke zomen aan de rug- en schouderveren. De typelocatie werd door Sharpe als 'noordwestelijk Australië' opgegeven; Mathews 'verbeterde' die in 1930 naar het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales, wat gezien het westelijke areaal onjuist moet zijn. De vorm werd lang als ondersoort van Cinclosoma castaneothorax gehouden en geldt sinds de recente herziening van het complex als eigen soort.



