Alle soortenSteltloperachtigenVechtkwartels › Zwartborstvechtkwartel

Zwartborstvechtkwartel | Turnix melanogaster

Black-breasted Buttonquail | Torillo pechinegro

De zwartborstvechtkwartel is de grootste en zeldzaamste vechtkwartel van Australië, een vogel van droog regenwoud en lianenstruweel in het zuidoosten van Queensland. Het vrouwtje is onmiskenbaar: kop, keel en borst gitzwart met fijne witte spikkels, een roodbruine rug en een opvallend crèmewit oog. Het leefgebied is tot enkele snippers teruggebracht, en dat maakt hem de enige soort van zijn familie hier die op de rode lijst staat.

Zwartborstvechtkwartel (Turnix melanogaster)
Foto: Aviceda — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het roepende geslacht is het vrouwtje, en haar geluid is een zwaar, laag en hol boemend oem, dieper dan bij alle andere vechtkwartels, telkens herhaald met tussenpozen van enkele seconden en in een reeks langzaam aanzwellend; onder het gesloten bladerdak lijkt het van overal te komen. Ze roept vooral 's ochtends vroeg en in de schemering, en het meest tussen september en februari. Het mannetje is vrijwel stil; een opgeschrikte vogel maakt niets anders dan een luid snorrende, korte vlucht het struweel in.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

De grootste Australische vechtkwartel, zeventien tot twintig centimeter, fors gebouwd, met drie tenen: de achterteen ontbreekt, en dat scheidt alle vechtkwartels van de echte kwartels. Het vrouwtje heeft kop, keel en borst diepzwart, dicht bezaaid met fijne witte spikkels, een warm kastanjebruine mantel met zwarte dwarsbanden en witte vlekjes, een blauwgrijze snavel, geelwitte poten en een helder crèmewit oog dat in het schemerdonker van het bos oplicht. Het mannetje is veel doffer: kop en borst grijsbruin met bleke vlekjes in plaats van zwart, en het geheel bruiner. Dit omgekeerde geslachtsdimorfisme — het vrouwtje groter, zwaarder en veel feller getekend dan het mannetje — is onder de Australische vogels uniek voor de vechtkwartels, en bij deze soort het sterkst ontwikkeld van allemaal: het vrouwtje weegt ongeveer tweemaal zoveel als het mannetje.

Verwarrings­soorten

De bonte vechtkwartel (Turnix varius) overlapt in areaal en leefgebied en is de enige echte verwarring: kleiner en slanker, grijsbruin in plaats van zwart op kop en borst, met parelwitte druppelvlekken over rug en flanken en met een oranjerood in plaats van crèmewit oog. Een mannetje zwartborstvechtkwartel is dof genoeg om voor een bonte vechtkwartel te worden aangezien; de oogkleur beslist dan. De roodborstvechtkwartel (T. pyrrhothorax) en de kleine vechtkwartel (T. velox) zijn allebei veel kleiner en horen in open grasland, niet in gesloten bos met strooisel. De gevlekte kwartellijster (Cinclosoma punctatum) deelt de strooisellaag maar is een zangvogel met een lange staart en een achterteen; de bruine kwartel (Synoicus ypsilophorus) is een echte kwartel, met een achterteen en zonder de zwarte borst.

Leefgebied

Droog regenwoud, lianenstruweel en vine scrub met een dikke, droge strooisellaag, en de randen daarvan waar ze in droog eucalyptusbos overgaan. Ook kustregenwoud op zandbodem, dichte lantanastruwelen en oudere plantages van hoop pine (Araucaria cunninghamii, subtropische naaldboom van Oost-Australië), mits er bladstrooisel ligt om in te scharrelen. Het gaat hem om de strooisellaag en om gesloten dekking: gesloten bos zonder strooisel of open, kaal begraasd bos gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Een smalle strook in het zuidoosten van Queensland, ruwweg van de omgeving van Byfield en de Great Sandy-kust zuidwaarts tot het uiterste noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales. De bekendste vindplaatsen zijn Inskip Point, Cooloola, K'gari en de bossen van Bulburin, Yarraman, Barakula en Widgee. Binnen die strook is de bezetting versnipperd tot losse snippers lianenstruweel, vaak van enkele tientallen hectaren, waartussen de vogels zich moeilijk verplaatsen. Buiten Australië komt de soort niet voor en naar Nieuw-Zeeland komt hij niet.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek ook hier niet naar de vogel maar naar zijn werk: de ronde, kale draaikuiltjes in het strooisel van een lianenstruweel zijn het beste bewijs dat de soort er zit, en verse kuiltjes onder dicht struikgewas wijzen de plek aan. Ga daarna bij het eerste licht op een omgevallen stam zitten en wacht in plaats van te lopen, want scharrelende vogels laten zich eerder horen dan zien. Inskip Point bij Rainbow Beach is al decennia de bekendste plaats waar de soort met enige regelmaat wordt gezien.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU), en ook onder de Australische natuurwetgeving als kwetsbaar aangemerkt; de schattingen van het aantal volwassen vogels lopen uiteen van enkele honderden tot enkele duizenden, met een dalende trend. De hoofdoorzaak is het verlies van droog regenwoud en lianenstruweel: dat bostype stond op de beste gronden en is sinds de negentiende eeuw grotendeels gerooid voor akkerbouw en veeteelt, zodat er nu nog losse, kleine en onderling geïsoleerde snippers over zijn. Wat rest, loopt schade op door brand die tot in de lianenstruweel doordringt, door vee en verwilderde varkens die de strooisellaag omwoelen en wegnemen, en door de begrazing van de ondergroei. Daar bovenop komt predatie door vossen, verwilderde katten en honden bij een vogel die vrijwel alles op de grond doet. Het tegenwicht bestaat uit de bescherming van de kernpopulaties bij Inskip Point, in het Cooloola-gebied en op K'gari, uit brandbeheer dat de overgebleven snippers vrijhoudt van vuur, en uit het feit dat de vogels ook dichte lantana en oudere hoop pine-plantages bewonen, wat aangeeft dat herstelbeplanting hem kan helpen.

Wetenschappelijke naam

Turnix melanogaster | (Gould, 1837)

Gould beschreef de vogel in 1837 als Hemipodius melanogaster; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Turnix werd in 1791 ingevoerd door Bonnaterre en is een verkorting van het Latijnse coturnix, 'kwartel'. melanogaster is gevormd uit het Griekse melas, 'zwart', en gaster, 'buik'. Als typelocatie staat Nieuw-Zuid-Wales opgegeven, al ligt vrijwel het hele huidige areaal in het zuidoosten van Queensland en is de soort in Nieuw-Zuid-Wales tegenwoordig tot de uiterste noordoosthoek beperkt.