Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Alaskastrandloper
Alaskastrandloper | Calidris mauri
Western Sandpiper | Correlimos de Alaska
De alaskastrandloper is de talrijkste van de kleine strandlopers van Noord-Amerika en vormt aan de Pacifische kust massale concentraties: op de wadplaten van de Copper River Delta staan in mei honderdduizenden vogels tegelijk. Hij broedt vrijwel uitsluitend in west- en noordwest-Alaska en overwintert van Washington tot Peru. Het hele areaal hangt daarmee aan een handvol modderplaten waar de trek zich samenbalt.
Geluid
De vluchtroep is een hoog, schrapend tsjiet, dunner en scherper dan de lage, hese tsjerk van de grijze strandloper; in een gemengde zwerm hoor je hem meestal eerder dan je hem ziet. Boven de toendra zingt het mannetje in een trage baltsvlucht een ijl, oplopend tie-ie-ie-ie, gevolgd door een reeks twier-twier-twier en een dalende, zoemende triller. Op het broedgebied klinken daarnaast allerlei alarm- en contactroepjes die je elders in het jaar nooit te horen krijgt. Buiten de broedtijd is hij verder zwijgzaam: wat een foeragerende zwerm laat horen is een zacht, aanhoudend geroezemoes van korte roepjes.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · Poe Road, Salton Sea, Imperial County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een strandloper ter grootte van een mus, met zwarte poten en een zwarte snavel die naar de punt toe omlaag buigt — bij vrouwtjes duidelijk langer dan bij mannetjes. In broedkleed heeft hij een roestrode kruin, oorstreek en schouderveren, en zwarte pijlpuntvlekken die van de borst tot ver op de flanken doorlopen. In winterkleed is hij effen lichtgrijs boven en wit onder, met hooguit een vage grijze waas op de zijborst. Jonge vogels lijken daarop, maar hebben goud- en roestkleurige veerzomen die als een warme baan over de bovenvleugel liggen. In de vlucht toont hij een smalle witte vleugelstreep en een donkere middenstreep over stuit en staart. De tenen zijn aan de basis half gevliesd, wat hem samen met de grijze strandloper apart zet van de andere kleine strandlopers.
Verwarringssoorten
De grijze strandloper (Calidris pusilla) lijkt het meest op deze soort: die heeft een kortere, rechtere snavel met stompe punt, mist in broedkleed het roest op kruin en oorstreek, en heeft geen pijlpunten op de flanken. De kleinste strandloper (Calidris minutilla) is kleiner en bruiner, heeft geelgroene poten en foerageert gebogen op de natte rand, terwijl de alaskastrandloper rechtop tot aan de buik in het water waadt. De bonte strandloper (Calidris alpina) is een maat groter, met een langere, gelijkmatig gebogen snavel en in broedkleed een zwarte buikvlek. In winterkleed helpt de snavel het meest: lang, aan de punt gebogen en met een fijne tip is bijna altijd deze soort.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Hij broedt op droge toendra met dwergberk, wilg en zegge, altijd binnen loopafstand van ondiepe poelen waar de jongen kunnen foerageren. Op trek en in de winter is hij een vogel van het slik: getijdenplaten, estuaria, lagunes en de randen van kwelders, en in Californië en Mexico ook zoutpannen en verlaten zoutwinningsbekkens. Hij vermijdt rotskust, dicht begroeide oevers en diep water. Anders dan de meeste steltlopers leeft hij voor een groot deel van biofilm — de gladde laag van kiezelwieren, bacteriën en slib op het wad — die hij met zijn tong van het oppervlak afschraapt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied beslaat west- en noordwest-Alaska en Sint-Laurenseiland, met een kleine uitloper op het schiereiland Tsjoekotka in Siberië. Overwinteren doet hij langs de Pacifische kust van Washington tot Peru, langs de Golfkust en de Atlantische kust noordwaarts tot ongeveer Virginia, in de Cariben, in Midden-Amerika tot noordelijk Costa Rica en aan meren in het Mexicaanse binnenland. De trek verloopt via een klein aantal grote pleisterplaatsen — de Copper River Delta, de Fraser Delta, de Grays Harbor, de San Francisco Bay en de Baai van Panama — waar in enkele weken een groot deel van de wereldpopulatie passeert. Die concentratie is de zwakke plek van de soort: in de twintigste eeuw verdwenen of veranderden verschillende van die platen, in de San Francisco Bay onder meer door een ingevoerd slijkgras dat de kale modder overgroeide.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem eind april en begin mei op de Pacifische kust bij opkomend tij, wanneer het water de zwermen naar de rand van de plaat duwt en de vogels dicht opeen komen te staan. Let eerst op de snavel: langer dan de kop en aan de punt duidelijk gebogen. Kijk daarna waar de vogel staat — de alaskastrandloper waadt verder het water in dan de andere kleine strandlopers, vaak tot aan de buik.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer 3,5 miljoen vogels geschat; Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) geeft hem 12 van de 20 punten op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20), wat op lage zorg neerkomt. De trend is niet met zekerheid bekend, al wijzen tellingen op enkele grote pleisterplaatsen op achteruitgang. Bedreigd wordt hij vooral door het droogleggen van kustmoerassen in Midden-Amerika, door ingevoerde slijkgrassen die de wadplaten in Californië dichtgroeien, door verontreiniging en door de opwarming van de arctische broedgebieden.
Wetenschappelijke naam
Calidris mauri | (Cabanis, 1857)
Cabanis beschreef de soort in 1857 als Ereunetes Mauri — de hoofdletter was destijds gebruikelijk bij een naam die een persoon eert. Omdat ze later in het geslacht Calidris is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, een woord waarmee Aristoteles grijze vogels van de waterkant aanduidde; mauri eert Ernesto Mauri (1791–1836), een Italiaanse plantkundige. Het beschreven exemplaar kwam uit Cuba, duizenden kilometers van het broedgebied: de soort is beschreven naar een overwinterende vogel.




