Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Amerikaanse ekster

Amerikaanse ekster | Pica hudsonia

Black-billed Magpie | Urraca de Hudson

De Amerikaanse ekster is de zwart-witte ekster van het westen van het continent, met een staart die langer is dan de rest van de vogel. Hij hoort bij open land met boomgroepen: beekdalen, veeweiden en de randen van dorpen tussen de Rocky Mountains en de prairie.

Amerikaanse ekster (Pica hudsonia)
Foto: gailhampshire — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest gehoorde geluid is een snelle, rauwe ratel, ka-ka-ka-ka, die vaak wordt ingeleid door een opgaand sjèh-sjèh. Daarnaast klinkt een vragend, omhooggaand mag? tussen partners en een zacht gekwetter bij het nest. Bij een kat, een uil of een roofvogel verzamelt zich een groep die minutenlang blijft ratelen. Zang in de zin van een vaste strofe ontbreekt; wel zingt de vogel zachte, gemengde reeksen in zichzelf. In gevangenschap zijn vogels menselijke spraak gaan nadoen.

Luister: RoepXC929924

Opname: Yoann Blanchon — CC BY-NC-SA 4.0 · Sutton-Alpine, Matanuska-Susitna, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Zwart en wit, met een lange, groen tot blauwpaars glanzende staart die bij een vliegende vogel meer dan de helft van de lengte uitmaakt. Kop, borst en rug zijn zwart, buik en schouders wit; in de vleugel zijn de handpennen wit, zodat er bij het opvliegen twee witte vlakken oplichten. De snavel is zwart, evenals poten en oogring. Mannetjes zijn 6 tot 9 procent groter en 16 tot 24 procent zwaarder dan vrouwtjes, maar in het veld zijn de geslachten gelijk. Jonge vogels hebben minder glans en een kortere staart. De vlucht is traag, met ondiepe slagen, waarbij de staart zichtbaar meebeweegt.

Verwarrings­soorten

De geelsnavelekster van Centraal-Californië is het enige echte verwarringsrisico: die heeft een gele snavel en een gele huidvlek onder het oog, en is gemiddeld iets kleiner met een kortere staart. De areaal-overlap is vrijwel nul — de Amerikaanse ekster ontbreekt in Californië ten westen van de Sierra Nevada en de Cascades. De Euraziatische ekster, die in Noord-Amerika niet in het wild voorkomt, is uiterlijk bijna gelijk maar heeft een kortere staart en langere vleugels; de twee verschillen in roep en in sociaal gedrag en zijn genetisch duidelijk gescheiden. Een zwarte kraai of raaf heeft geen wit en een veel kortere staart.

Leefgebied

Open terrein met verspreide bomen en struiken: beekdalen met wilg en populier, sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-steppe met jeneverbes, kortgrasprairie, hooiland en veeweiden. Hij broedt in doornstruiken en lage bomen, in een overkoepeld nest van takken dat door beide partners in veertig tot vijftig dagen wordt gebouwd, vanaf februari. Buiten het broedseizoen verzamelen groepen zich bij veevoerplaatsen, graansilo's, schuren, vuilstorten en huizen. Dicht bos en boomloze woestijn ontbreken in het beeld.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het westen van Noord-Amerika: van de zuidkust van Alaska, Zuidwest-Yukon en Centraal-Brits-Columbia zuidwaarts door de Rocky Mountains tot Noord-New Mexico en Noord-Arizona, en oostwaarts tot de Dakota's, West-Nebraska en West-Kansas, met een uitloper tot Noordwest-Minnesota. In Californië beperkt tot het noordoosten en de oostelijke bergvoet. Het merendeel van de vogels blijft het hele jaar in hetzelfde gebied; in de winter schuiven vogels uit de hoogste dalen naar lagere delen en naar plekken met vee.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de winter langs veeweiden en voerplaatsen in Montana, Wyoming of Idaho: daar staan de eksters op de grond tussen het vee. Kijk bij het opvliegen naar de witte handpennen — dat vlak is ook op grote afstand en tegen een grijze lucht te zien, terwijl de glans op de staart alleen bij zon van dichtbij uitkomt.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC); het aantal volwassen vogels werd in 2025 op ongeveer zes miljoen geschat. De soort is gevoelig voor het westnijlvirus, dat na 2002 lokaal grote sterfte veroorzaakte. Een tweede knelpunt zijn middelen tegen parasieten die op de rug van vee worden aangebracht: eksters die die haren opnemen kunnen eraan sterven. Historisch werd de soort in delen van het westen als schadelijk vervolgd en met gif bestreden.

Wetenschappelijke naam

Pica hudsonia | (Sabine, 1823)

Sabine beschreef de soort in 1823 als Corvus hudsonius, naar een exemplaar van Cumberland House aan de Hudsonbaai, tegenwoordig in Saskatchewan; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pica is het Latijnse woord voor ekster, en hudsonia verwijst naar de Hudsonbaai, waar de vogel als afzonderlijke vorm werd onderscheiden. Lange tijd werd hij als ondersoort van de Euraziatische ekster beschouwd; sinds 2000 wordt hij in de Noord-Amerikaanse lijst als eigen soort gevoerd.