Alle soorten › Zangvogels › Goudhaantjes › Amerikaanse goudhaan

Amerikaanse goudhaan | Regulus satrapa

Golden-crowned Kinglet | Reyezuelo sátrapa

De Amerikaanse goudhaan weegt zes gram en overwintert in sparrenbos waar het veertig graden kan vriezen; geen andere zangvogel van dat gewicht blijft zo ver naar het noorden. De kruin is een gele of oranje streep tussen twee zwarte randen, en die ligt, anders dan bij het roodkroonhaantje, altijd open. Hij foerageert hoog in de naalden, hangend en zwevend, en verraadt zich met een toon die aan de bovengrens van het menselijk gehoor ligt.

Amerikaanse goudhaan (Regulus satrapa)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een reeks van drie of vier hoge, ijle tonen, tsie tsie tsie, alle op dezelfde hoogte en zo hoog dat veel mensen boven de vijftig ze niet meer horen. De zang begint met diezelfde tonen, wordt geleidelijk sneller en hoger en slaat aan het eind om in een dalende, buitelende ratel. Alles komt uit de boomtoppen, zodat je het geluid vaker hebt dan de vogel. In gemengde wintertroepen met mezen en boomklevers is die ijle toon meestal het eerste teken dat hij erbij zit.

Luister: ZangXC1100995

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Surveyor Creek Trail, Deer Park Clearcut, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Klein, rond en kortstaartig, olijfgroen van boven en grijswit van onder, met twee witte vleugelstrepen en een zwarte vlek achter de achterste streep. De kop is getekend: een witte wenkbrauwstreep, een donkere streep door en boven het oog, en daartussen de kruinstreep — geel bij het vrouwtje, geel met een oranje hart bij het mannetje, bij beide zwart omrand. Een oogring ontbreekt, waardoor het gezicht gestreept oogt in plaats van verbaasd. De snavel is kort, zwart en naaldfijn, de poten donker met gele tenen. Hij hangt geregeld ondersteboven aan een naaldtak en zweeft kort stil om een prooi van de onderkant van een twijg te plukken.

Verwarrings­soorten

Het roodkroonhaantje heeft een gebroken witte oogring en een ongestreepte kop, en de rode kruinvlek van het mannetje ligt negen van de tien keer verborgen; deze soort draagt zijn kruinstreep altijd open. De huttonvireo (Vireo huttoni) van het westen heeft dezelfde vleugelstrepen, maar een zwaardere snavel met een haakje, een oogring, en beweegt bedaard. De geelstuitzanger is groter, langer van staart en draagt een gele stuitvlek. Op afstand beslist het gedrag: dit vogeltje staat vrijwel nooit stil en zweeft telkens even bij de naaldpunten.

Leefgebied

Broedt in dicht naaldbos van sparren, zilversparren en hemlock, van het boreale woud tot de bergbossen van het westen en de sparrentoppen van de Appalachen. In de winter blijft een deel in datzelfde bos en zakt de rest naar loofbos, struweel, oeverbosjes, tuinen en parken, waar een groepje aangeplante coniferen al genoeg is. In het oosten heeft hij geprofiteerd van sparrenaanplant buiten zijn oude broedgebied en broedt hij nu in streken waar hij een eeuw geleden ontbrak. Open land zonder bomen wordt gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel en korteafstandstrekker tegelijk: hij broedt van Zuidoost-Alaska en het boreale Canada tot Newfoundland, zuidwaarts door de Rocky Mountains en de Sierra Nevada tot Arizona en New Mexico, en in de Appalachen tot North Carolina en Tennessee. In de bergen van Oost-Mexico en Guatemala zit hij het hele jaar in dennen-eikenbos en sparrenbos, in eigen vormen die niet wegtrekken. De vogels van het boreale binnenland verlaten 's winters het noorden en verspreiden zich over het oosten en midden van de Verenigde Staten tot aan de Golfkust; die van de kust en van de bergen blijven grotendeels zitten waar ze zitten. Hoeveel er in een gegeven winter zuidwaarts komen, verschilt sterk van jaar tot jaar.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Leer de roep, want die komt bijna altijd eerst: drie of vier ijle toontjes uit de top van een spar, hoger en dunner dan die van welke mees ook. Loop in de winter een eind mee met een gemengde mezentroep en blijf staan waar de troep blijft hangen; hij zit er meestal in, maar hoger dan de rest. Wil je de oranje kern in de kruin zien, dan moet je de vogel van opzij en van boven krijgen — recht omhoog vanaf de grond blijft het bij geel.

Staat van instandhouding

Talrijk, en over de laatste halve eeuw toegenomen; de populatie loopt in de vele tientallen miljoenen vogels. Sparrenaanplant in het oosten heeft hem broedgebied opgeleverd, terwijl houtkap in oud naaldbos het weer wegneemt. Strenge winters kosten plaatselijk veel vogels, maar de aantallen zijn binnen enkele jaren terug.

Wetenschappelijke naam

Regulus satrapa | Lichtenstein, 1823

Martin Hinrich Carl Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Regulus satrapa; auteur en jaartal staan zonder haakjes, omdat ze nog altijd in het geslacht staat waarin ze is beschreven. Regulus is Latijn voor 'koninkje', een verkleinwoord van rex, 'koning', naar de gekleurde kruin. satrapa is het Latijnse woord voor een satraap, de bestuurder van een gewest van het Perzische rijk; de naam slaat op het hoofddeksel dat zo'n bestuurder droeg, en daarmee opnieuw op de kruin. Over de herkomst van het beschreven exemplaar gaf Lichtenstein niet meer op dan 'Am. sept.', Noord-Amerika.