Alle soorten › Zangvogels › Goudhaantjes › Roodkroonhaantje
Roodkroonhaantje | Corthylio calendula
Ruby-crowned Kinglet | Reyezuelo de moño rojo
Een van de kleinste zangvogels van het continent: nauwelijks zes gram, olijfgroen, met een gebroken witte oogring en twee witte vleugelstrepen. Het mannetje draagt een scharlaken kroontje dat negen van de tien keer verborgen ligt en alleen bij opwinding als een vlammetje omhoogkomt. Voor een vogel van dit formaat is de zang buitensporig luid.
Geluid
De zang begint met een paar zeer hoge, ijle tsie tsie-tonen, gaat over in een lager toe toe toe en eindigt in een luide, buitelende reeks van herhaalde drieklanken, tsie-die-diet tsie-die-diet. Dat slot is zo krachtig dat wie de zanger niet ziet, hem stelselmatig veel groter schat. De roep is een droog, tweelettergrepig dje-dit, hard en ratelig, dat het hele jaar klinkt en waarmee hij zich in de winter in een struweel verraadt. Zingen doet hij vooral op de broedplaats en onderweg in het vroege voorjaar.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Miesville Ravine Park Reserve, Goodhue County, Minnesota, United States · xeno-canto
Herkenning
Klein, rond en kortstaartig, olijfgroen van boven en vuilwit tot geelachtig van onder, met twee witte vleugelstrepen waarvan de achterste door een zwarte vlek wordt begrensd. De opvallendste tekening zit rond het oog: een gebroken witte ring die de vogel een verbaasde blik geeft. Het mannetje heeft een rode kruinvlek die alleen bij balts, ruzie of alarm zichtbaar wordt; vrouwtje en jonge vogel missen die geheel. De snavel is kort, dun en spits, de poten donker met lichtere tenen. De staart is kort en licht ingesneden, wat het silhouet nog boller maakt.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse goudhaan (Regulus satrapa) heeft een zwart omrande gele of oranje kruinstreep die altijd zichtbaar is en een gestreepte kop, maar geen oogring. De huttonvireo (Vireo huttoni) van het westen lijkt er sterk op, met dezelfde oogring en vleugelstrepen, maar heeft een zwaardere snavel met een haakje aan de punt en beweegt bedaard in plaats van rusteloos. De geelstuitzanger is groter en langer van staart en draagt een gele stuitvlek. Bij twijfel geeft de snavel de doorslag: die van dit vogeltje is dun als een naald.
Leefgebied
Broedt in dicht, hoog naaldbos van sparren en zilversparren, in het boreale woud en in de bergen tot aan de boomgrens, met een voorkeur voor gesloten opstanden. Buiten de broedtijd is hij veel minder kieskeurig: loofbos, struweel, oeverbosjes, tuinen, parken en zelfs het doornstruweel van woestijnranden. Wat hij zoekt is bladerdek waarin insecten te vinden zijn, van welke soort ook. Kaal, open land wordt gemeden, maar één rij struiken is al genoeg.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Alaska en Noord-Canada tot Newfoundland, en zuidwaarts door de Rocky Mountains en de Sierra Nevada tot in Arizona en New Mexico; in het oosten reikt het broedgebied tot Maine en de noordelijke Great Lakes. Overwintert van de zuidelijke Verenigde Staten en de Pacifische kuststreek zuidwaarts door Mexico, met de zuidgrens rond Oaxaca; alleen bij hoge uitzondering wordt Guatemala bereikt. In het westen zakken de bergvogels 's winters eenvoudigweg naar lagere dalen, zodat hij daar het hele jaar te zien is. Voor het grootste deel van de Verenigde Staten is hij een van de talrijkste doortrekkers van april en oktober.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Hoor eerst, kijk daarna: het droge dje-dit uit een struik is in de winter over grote delen van het gebied het talrijkste geluid dat er is, en het loont om het uit het hoofd te leren. Wie het rode kroontje wil zien, moet wachten tot twee mannetjes elkaar tegenkomen; in de trektijd gebeurt dat in elk bosje meermalen per ochtend. Zoek hem in de winter aan de zonzijde van een bosrand, in het eerste uur na zonsopgang.
Staat van instandhouding
Zeer talrijk en stabiel, met een populatie van rond de honderd miljoen vogels. Houtkap en bosbrand in het boreale broedgebied zijn de voornaamste bedreigingen, maar verstoring en versnippering worden op zichzelf goed verdragen. In de winter en op de trek eist glas een aanzienlijke tol, omdat een klein en 's nachts trekkend vogeltje veel in en om steden terechtkomt.
Wetenschappelijke naam
Corthylio calendula | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla calendula, bij de kwikstaarten; omdat ze sindsdien van geslacht is verwisseld, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam nam hij over van Brisson, die de vogel in 1760 Calendula pensilvanica had genoemd naar de streek waar het exemplaar vandaan kwam. Lange tijd stond hij bij de andere goudhaantjes in Regulus, maar AviList plaatst hem in het eigen geslacht Corthylio, dat Cabanis al in 1853 invoerde uit het Griekse korthulos, een vogeltje dat bij de woordenboekmaker Hesychius wordt genoemd; hij is groter dan de andere goudhaantjes, draagt een rode in plaats van gele kroon en klinkt anders. Het beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania; die vindplaats is later ingeperkt tot Philadelphia.




