Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Witborstboomklever
Witborstboomklever | Sitta carolinensis
White-breasted Nuthatch | Trepador pechiblanco
De grootste boomklever van het gebied en de enige die in het oosten overal algemeen is: blauwgrijs van boven, wit van onder, met een zwarte pet die als een kap over de nek doorloopt. Hij blijft het hele jaar in dezelfde paar hectare bos. Aan de voederplank valt hij op doordat hij één pit pakt en er meteen mee wegvliegt.
Geluid
Het hele jaar door klinkt een nasaal, toeterend jenk-jenk-jenk, alsof iemand op een blikken hoorntje blaast; in het oosten lager en trager dan in het westen. De zang is een snelle, eentonige reeks van acht tot twaalf gelijke, licht schetterende tonen, wer-wer-wer-wer, in de late winter afgegeven vanaf een hoge tak. Paren houden onder het foerageren contact met een zacht, kort ip dat alleen van dichtbij hoorbaar is. Bij onraad wordt het nasale geroep gerekt tot een aanhoudend gemekker, en dat verraadt vaak een uil of een eekhoorn.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Portal, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Blauwgrijze bovendelen, spierwitte onderdelen met een roestbruine aanslag rond de poten, en een geheel wit gezicht waarin het donkere oog los in het wit staat. Kruin en nek zijn glanzend zwart bij het mannetje en grijzer bij het vrouwtje, al is dat verschil in het veld niet altijd te zien. Het lijf is gedrongen, de staart kort en breed, een hals lijkt te ontbreken, en de rechte snavel is voor een zangvogel lang. In vlucht is hij kort en golvend, met witte hoeken in de zwarte staart. Jonge vogels lijken op hun ouders, met een doffere pet.
Verwarringssoorten
De Canadese boomklever (Sitta canadensis) is veel kleiner, heeft een zwarte oogstreep dwars door het witte gezicht en roestrode onderdelen. De bruinkopboomklever (Sitta pusilla) van de zuidelijke dennenbossen en de dwergboomklever (Sitta pygmaea) van het westen dragen een pet die tot onder het oog doorloopt, zodat het gezicht niet wit is maar getekend. De Amerikaanse boomkruiper klimt alleen omhoog, steunt op zijn staart en is bruin gestreept. De Amerikaanse matkop heeft ook een zwarte pet, maar draagt daarbij een zwarte keelvlek.
Leefgebied
Oud loofbos met zware stammen en dood hout — eik, beuk, esdoorn, hickory — en in het westen dennen-, jeneverbes- en bergnaaldbos. Wat hij nodig heeft is grove schors om in te zoeken en een holte om in te slapen; jong hakhout en dicht struweel leveren geen van beide op. Aan de rand van steden houdt hij stand zolang er oude bomen blijven staan: een park met dikke eiken is genoeg. In het Midwesten volgt hij de rivierbossen ver de prairie in.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van het zuiden van Canada tot in Florida en Texas, en in het westen door de bergen tot in de hooglanden van Mexico; hij trekt niet en zit in de winter waar hij in de zomer zat. Alleen in strenge winters schuiven noordelijke vogels onregelmatig wat zuidwaarts. Op de Great Plains ontbreekt hij waar bomen ontbreken, zodat de oostelijke en de westelijke vogels door een brede lege strook gescheiden zijn. Oost, west en Mexico verschillen zo duidelijk in roep en zang dat er goede gronden zijn om meer dan één soort te onderscheiden; voorlopig blijven ze bij elkaar staan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Let op vogels die met de kop omlaag lopen: alles wat in het oosten kop-omlaag langs een stam naar beneden gaat, is deze soort. Buiten de broedtijd trekt hij mee met de rondzwervende mezengroepjes, dus wie zo'n zwerm hoort, hoeft alleen te wachten tot het nasale getoeter erbij komt. Aan een voederplank in bosrijk gebied hoort hij tot de vaste gasten, vooral bij ongepelde zonnebloempitten en stukjes walnoot.
Staat van instandhouding
Algemeen en toenemend, niet bedreigd (LC), met een populatie van ongeveer tien miljoen vogels; sinds 1966 groeit die met ruim één procent per jaar. De soort profiteert ervan dat de oostelijke bossen ouder worden nu er minder landbouwgrond in gebruik is. Waar dode en aftakelende bomen worden opgeruimd verdwijnt hij wel, want zonder holtes is er geen slaapplaats en geen nest.
Wetenschappelijke naam
Sitta carolinensis | Latham, 1790
Latham beschreef de soort in 1790 als Sitta carolinensis, in hetzelfde geslacht waarin ze nog staat; auteur en jaartal blijven daarom zonder haakjes. Het geslacht Sitta werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd en gaat terug op het Griekse sittē, de naam die Aristoteles gebruikte voor een vogel die tegen stammen op klom. carolinensis betekent 'van Carolina'. Latham gaf als vindplaats 'Amerika, Jamaica' op, wat niet kan kloppen, want op Jamaica komt geen boomklever voor; later is South Carolina aanvaard, naar de plaat die Catesby er in 1731 van maakte.




