Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Dwergboomklever

Dwergboomklever | Sitta pygmaea

Pygmy Nuthatch | Trepador enano

De dwergboomklever is de kleinste boomklever van Noord-Amerika en gebonden aan open dennenbos van het westen, vooral aan de ponderosaden. Hij leeft het hele jaar in groepjes, broedt met helpers bij het nest en slaapt 's winters met tientallen vogels tegelijk in één holte.

Dwergboomklever (Sitta pygmaea)
Foto: Greg Schechter — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is een aanhoudend, hoog pit-pit of ti-di, vaak in korte reeksen en door meerdere vogels tegelijk, zodat een groep een doorlopend gepiep boven in de dennen laat horen. Bij opwinding gaat dat over in een snel, kwetterend geratel. Een zang in de gewone zin ontbreekt; het contactroepje zelf doet dienst als territoriumsignaal. Het geluid draagt ver en verraadt de vogels meestal voordat je ze ziet.

Luister: ZangXC1029987

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Hog Ranch Road (near Wenas / Cascade Camp), Kittitas County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, kortstaartige boomklever met een grijsbruine kruin die tot vlak onder het oog doorloopt, een donkere oogstreep en blauwgrijze bovendelen. De onderdelen zijn vuilwit tot lichtbruin, de keel wit. In de nek zit meestal een kleine, lichte vlek op de grens van kruin en mantel. De snavel is recht en spits, de staart kort met een witte band die vooral in de vlucht opvalt. Man en vrouw zijn gelijk. Hij klimt in alle richtingen over stam en takken en hangt vaak ondersteboven aan de naaldbundels.

Verwarrings­soorten

De bruinkopboomklever is vrijwel identiek van vorm, maar heeft een warmer bruine kruin en leeft in de dennenbossen van het zuidoosten — de arealen raken elkaar nergens. Het beste onderscheid met de Canadese boomklever is de kruin: bij de dwergboomklever loopt die dof grijsbruin door tot onder het oog, terwijl de Canadese boomklever een zwarte kruin, een witte wenkbrauwstreep en roestbruine onderdelen heeft. De witborstboomklever is veel groter, met een zwarte kruin en een wit gezicht.

Leefgebied

Open, oude dennenbossen met langnaaldige soorten, in de eerste plaats ponderosaden, daarnaast Jeffreyden en in Californië ook monterey- en bisschopsden. Hij heeft grove, oude bomen en dode stammen nodig, want alle nesten en slaapplaatsen zitten in zelf uitgehakte of bestaande holtes. In de bergen komt hij tot boven de drieduizend meter voor. Aangeplante en verwilderde dennen in parken en op begraafplaatsen langs de Californische kust horen er ook bij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het westen, van Zuid-Brits-Columbia door de bergen van Washington, Oregon, Idaho en Montana zuidwaarts tot Californië, Nevada, Utah, Colorado, Arizona en New Mexico, met oostelijke buitenposten in de Black Hills van South Dakota, de Pine Ridge van Nebraska en de bergen van West-Texas. In Mexico volgt hij de Sierra Madre Occidental van Sonora, Chihuahua en Durango zuidwaarts en bezet hij daarnaast de dennenbossen van de vulkaangordel in Midden-Mexico; in Neder-Californië leeft hij in de Sierra de Juárez en de Sierra San Pedro Mártir. Hij trekt niet weg, maar zakt in strenge winters wat lager de bergen af.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Loop in een open ponderosabos en luister omhoog: het onafgebroken gepiep van een groepje in de kruinen is het eerste wat je oppikt. Zoek dan de bewegende stipjes helemaal in de top, want hij foerageert veel hoger dan de andere boomklevers. Op winterse avonden loont het vlak voor zonsondergang een dode stam in de gaten te houden: dan verdwijnt de hele groep achter elkaar in dezelfde slaapholte.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 3,3 miljoen vogels en geeft de soort een lage zorgscore; de aantallen zijn over de lange termijn stabiel. Het knelpunt is de bosstructuur: houtkap van oude bomen, het verwijderen van dode stammen en het onderdrukken van natuurlijke bosbranden maken het bos dichter en holtearmer. Waar het oude, open ponderosabos met vuur wordt beheerd, houdt de soort stand; in Neder-Californië en Midden-Mexico zijn de populaties klein en van elkaar gescheiden.

Wetenschappelijke naam

Sitta pygmaea | Vigors, 1839

Vigors beschreef de soort in 1839 als Sitta pygmaea, naar een exemplaar uit Monterey in Californië; omdat ze nog altijd in hetzelfde geslacht staat, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Sitta is het Griekse sittē, de naam die Aristoteles voor een boomklever gebruikte. De soortnaam pygmaea komt van het Griekse pygmaios 'dwergachtig', naar het formaat: met negen tot elf centimeter is dit de kleinste boomklever van het werelddeel. De Nederlandse en de Engelse naam zeggen hetzelfde.