Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Bruinkopboomklever
Bruinkopboomklever | Sitta pusilla
Brown-headed Nuthatch | Trepador cabecipardo
De bruinkopboomklever is de kleine boomklever van de dennenbossen van het zuidoosten van de Verenigde Staten, waar hij het hele jaar in familiegroepjes rondtrekt. Hij hoort bij de oude, open bossen van moerasden en pijpenden en is een van de weinige zangvogels die gereedschap gebruikt: met een los stukje schors wipt hij bast van de stam om insecten bloot te leggen.
Geluid
De roep is een hoog, dubbel kie-die dat aan het knijpen in een piepend badeendje doet denken — hard voor een vogel van tien centimeter en meestal het eerste teken dat een groepje in de kruinen zit. Daarnaast klinkt een zacht pit-pit tijdens het foerageren en in de vlucht, en bij opwinding een snelle, ratelende reeks. Man en vrouw roepen soms in duet, waarbij de twee geluiden in elkaar overlopen.
Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Bald Point State Park, Saint Teresa, Franklin County, Florida, United States · xeno-canto
Herkenning
Klein en kortstaartig, met een effen bruine kruin die tot vlak onder het oog doorloopt en een smalle donkere oogstreep. De bovendelen zijn blauwgrijs, de wangen, keel en onderdelen vuilwit tot lichtbruin. In de nek zit een klein wit vlekje op de grens van de bruine kruin en de grijze mantel. De snavel is recht en spits, de poten kort. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels hebben een doffere, grijzere kruin.
Verwarringssoorten
De dwergboomklever lijkt bijna volledig, maar heeft een grijsbruinere kruin en leeft in het westen; de twee arealen overlappen niet. De Canadese boomklever, die 's winters in hetzelfde bos kan zitten, heeft een zwarte kruin, een witte wenkbrauwstreep en roestbruine onderdelen. De witborstboomklever is fors groter en heeft een witte kop met een zwarte kruin. Op de Bahama's leeft de Bahamaboomklever, die tot voor kort als ondersoort van deze soort gold en een langere snavel en smallere nekvlek heeft.
Leefgebied
Open, oude dennenbossen van moerasden, pijpenden, korteblad- en zachtden, het liefst met een grazige ondergroei die door regelmatige branden open wordt gehouden. Dode stammen en dikke, afstervende takken zijn onmisbaar, want het nest is een zelf uitgehakte holte. Ook aangeplante dennenpercelen, dennen in tuinen en parken en de dennenzoom van akkers horen erbij, zolang er dood hout blijft staan; in dichte, jonge aanplant zonder dode stammen ontbreekt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van de kustvlakte en het lage binnenland van het zuidoosten, van Delaware en Maryland langs de kust zuidwaarts tot in heel Florida, en westwaarts door Georgia, Alabama, Mississippi, Louisiana en Oost-Texas tot in Arkansas, Tennessee en Zuidoost-Oklahoma. Hij trekt niet en zwerft nauwelijks, waardoor gaten in het bos niet vanzelf weer worden bezet. In Missouri, waar hij in de negentiende eeuw verdween, is de soort sinds 2020 in de Ozarks opnieuw uitgezet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in een open dennenbos dat kort tevoren is gebrand, en luister naar het piepende kie-die hoog in de kruinen. Als je het geluid hoort, blijf dan staan: een groepje werkt zich meestal van boom naar boom en komt vanzelf dichterbij. In tuinen met dennen komt hij op pinda's en vet af, en hij gebruikt nestkasten met een kleine opening.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC) en de aantallen zijn sinds 1966 over het hele areaal ongeveer gelijk gebleven, maar het verspreidingsbeeld is versnipperd geraakt. De oorzaak is het verdwijnen van het oude moerasdennenbos, dat tot een fractie van zijn vroegere oppervlak is teruggebracht, en het onderdrukken van branden, waardoor de ondergroei dichtgroeit. Het verwijderen van dode stammen bij houtoogst neemt de nestholtes weg. Waar met vuur wordt beheerd en dood hout blijft staan, herstelt de soort; de populatie in Zuid-Florida is klein en genetisch verarmd.
Wetenschappelijke naam
Sitta pusilla | Latham, 1790
Latham beschreef de soort in 1790 als Sitta pusilla; de typelocatie staat in het oorspronkelijke werk als 'Carolina, Jamaica', maar wordt sinds 1917 als South Carolina gelezen. Omdat de soort nog altijd in hetzelfde geslacht staat, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Sitta is het Griekse sittē, de naam die Aristoteles voor een boomklever gebruikte; pusilla is Latijn voor 'heel klein'. De Nederlandse en de Engelse naam noemen in plaats daarvan de bruine kruin.



