Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Amerikaanse klapekster

Amerikaanse klapekster | Lanius ludovicianus

Loggerhead Shrike | Verdugo americano

De Amerikaanse klapekster is een zangvogel die leeft als een roofvogel: hij zit op een draad boven kort grasland, laat zich op een sprinkhaan of een muis vallen en hangt zijn vangst daarna aan een doorn of een punt prikkeldraad. Hij is de enige klauwier die alleen in Noord-Amerika voorkomt, en in een halve eeuw is ongeveer driekwart van zijn aantal verdwenen.

Amerikaanse klapekster (Lanius ludovicianus)
Foto: Terry Ross, bewerking: Snowmanradio — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een trage aaneenschakeling van korte, ruwe motieven — een schor tsjoe-wiet tsjoe-wiet, dan een krassend krie-krie — waarbij elk motief twee- of driemaal wordt herhaald en er telkens seconden stilte tussen vallen. Het klinkt als een spotlijster die het langzaam en met tegenzin doet. De roep is een hard, droog sjek, en bij opwinding een langgerekt ratelend krrrr. Beide geslachten zingen; het meest gebeurt dat in de vroege ochtend van februari tot mei, altijd vanaf de hoogste draad of de top van een struik en nooit uit dekking.

Luister: ZangXC1176762

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · San Juan Guelavía, San Juan Guelavía, Oaxaca, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Grijs van boven, wit van onderen, met een breed zwart masker dat van de snavelbasis over het oog tot achter de oorstreek loopt en dat boven de snavel doorloopt. De vleugels zijn zwart met een witte vlek die in vlucht als een korte witte flits oplicht; de zwarte staart heeft witte hoeken. De snavel is kort, zwaar en aan de punt gehaakt, wat zelfs in silhouet meteen opvalt. Man en vrouw zien er gelijk uit; jonge vogels zijn grijsbruin met een fijne golfstreping en een doffer masker. Op een draad zit hij rechtop en gedrongen, met een grote kop en een lange staart die hij af en toe zijwaarts beweegt.

Verwarrings­soorten

De noordelijke klapekster (Lanius borealis) lijkt het meest op deze soort: groter, bleker grijs, met een smaller masker dat de snavelbasis niet insluit en een langere, sterker gehaakte snavel; jonge vogels dragen fijne golfstreepjes op de borst. Hij verschijnt juist in de winter en in het noorden, waar de Amerikaanse klapekster grotendeels is verdwenen. De spotlijster zit op dezelfde draden, maar is slanker en langer van staart, mist het masker, heeft een dunne snavel en toont in vlucht veel grotere witte vleugelvlakken. Op afstand helpt de houding: de klauwier zit compact en volkomen stil, de spotlijster beweegt en waaiert met zijn staart.

Leefgebied

Open, kort land met uitkijkposten en doornige struiken: begraasd grasland, prairie met yucca en mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), boomgaarden en akkerranden, wegbermen met afrastering, en in het zuidwesten woestijnstruweel. Hij heeft drie dingen tegelijk nodig — een vrije zitplaats, korte of kale grond waarop prooi te zien is, en iets scherps in de buurt. Hoog gras en dichtgegroeid struweel maken een terrein voor hem onbruikbaar, ook al zitten er insecten genoeg. In het zuidwesten gaat hij tot in echte woestijn, zolang er struiken staan.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van de zuidelijke Canadese prairies tot in zuidelijk Mexico. In het zuiden en westen van de Verenigde Staten en op het Mexicaanse hoogland is hij standvogel; in de noordelijke prairies en het binnenland van het noordwesten is hij zomervogel die in het najaar zuidwaarts wegtrekt. Het oosten is het verhaal van een verdwijning: in het noordoosten van de Verenigde Staten en in oostelijk Canada broedt hij vrijwel niet meer, en de laatste tientallen paren in Ontario worden met kweek en uitzetting overeind gehouden. Op het Californische eiland San Clemente houdt een eigen vorm stand die tot enkele tientallen vogels was teruggevallen en zich onder een intensief beschermingsprogramma heeft hersteld.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de winter langzaam over landwegen langs beweid grasland met prikkeldraad en let op een compacte grijswitte vogel die alléén op een draad of een paal zit: hij laat zich schuin omlaag vallen en scheert dan laag naar de volgende post. Een gespietste sprinkhaan, hagedis of muis aan een prikkeldraadpunt of een doorn zegt dat het terrein bezet is, ook als de vogel zelf niet in beeld is. Kijk in het voorjaar op dezelfde plekken: paren houden jaren achtereen hetzelfde stuk weg.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de Rode Lijst. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de stand op ongeveer zeven miljoen vogels, maar de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een daling van ongeveer 2,6 procent per jaar zien, samen zo'n 75 procent, en in het noordoosten nog veel meer. De oorzaken lopen door elkaar: hooiland, houtwallen en beweid grasland die verdwijnen, insecticiden die de grote insecten wegnemen waar hij van leeft, en aanrijdingen, want de wegbermen waar hij jaagt zijn ook waar hij wordt geraakt. In Canada valt de oostelijke vorm onder de zwaarste beschermingscategorie.

Wetenschappelijke naam

Lanius ludovicianus | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Lanius ludovicianus, en omdat ze nog altijd in dat geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Lanius voerde hij zelf in 1758 in; het is het Latijnse woord voor 'slager'. ludovicianus betekent 'van Louisiana', naar Louisiane, het Franse gebied dat naar koning Lodewijk XIV was genoemd, en Louisiana is dan ook de typelocatie. De Nederlandse naam plaatst hem naast de klapekster van de Oude Wereld; de Engelse naam Loggerhead Shrike verwijst naar zijn grote kop.