Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Amerikaanse matkop

Amerikaanse matkop | Poecile atricapillus

Black-capped Chickadee | Carbonero cabecinegro

De Amerikaanse matkop is de vaste bezoeker van elke voedertafel ten noorden van de veertigste breedtegraad: een klein, rond vogeltje met een zwart petje en een zwarte kin, dat zich door niets laat afschrikken. Zijn geheugen is uitvoerig onderzocht — hij verstopt duizenden zaadjes verspreid over zijn territorium en weet weken later nog precies waar.

Amerikaanse matkop (Poecile atricapillus)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een helder, dalend fluitje van twee of drie tonen, fie-bie of fie-bie-ie, dat al in de late winter te horen is. De roep is de naamgever van de hele familie: een nasaal tsjik-a-die-die-die, waarbij het aantal die-lettergrepen oploopt naarmate een roofvogel dichterbij of gevaarlijker is. Onderzoek naar precies deze roep leverde het eerste harde bewijs dat vogels in hun alarm specifieke informatie coderen, en niet alleen intensiteit.

Luister: ZangXC1100535

Opname: Jim Berry — CC BY-NC-SA 4.0 · City of Jamestown, Chautauqua County, New York, United States · xeno-canto

Herkenning

Een klein, gedrongen vogeltje met een groot hoofd, een korte hals en een relatief lange staart. Kruin en kin zijn diepzwart, de wangen scherp wit, de rug grijsbruin en de flanken vaag okerkleurig; mannetje en vrouwtje zijn niet te onderscheiden. Jonge vogels lijken al vanaf de eerste weken op de ouders, met hooguit een iets zachter zwart. In de vlucht toont hij korte, snelle vleugelslagen afgewisseld met glijden, laag tussen de struiken door.

Verwarrings­soorten

In een smalle strook van overlap, van New Jersey tot Kansas, ontmoet hij de vrijwel identieke carolinamees (Poecile carolinensis); daar is het enige betrouwbare verschil een iets tragere, minder scherp afgebakende zang, want de twee soorten kruisen er ook nog eens. Buiten die zone is de zuidgrens van het areaal een betrouwbaarder kenmerk dan het verenkleed. De hudsonmees van de boreale bossen is roestiger van kruin en flank en mist het scherpe wit van de wangen. Jonge vogels van beide soorten zijn nog lastiger te scheiden dan de volwassen exemplaren.

Leefgebied

Gemengd en loofbos, bosranden, wilgen- en elzenstruweel langs water, en het hele jaar door tuinen en parken met een voederplank. Hij mijdt aaneengesloten donker naaldbos, het domein van de verwante hudsonmees, en volledig open, boomloos land. In de winter trekt hij rond in gemengde foerageergroepen met mezen, boomklevers en goudhaantjes, die zijn scherpe alarmroep als eerste waarschuwing gebruiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel dwars over het hele continent, van Alaska tot Newfoundland en zuidwaarts tot in de middelste staten van de Verenigde Staten; hij trekt niet, al verspreiden jonge vogels zich in goede jaren over grotere afstanden. De zuidgrens van zijn areaal volgt vrijwel overal dezelfde breedtegraad, wat onderzoekers in verband brengen met zijn vermogen om extreme kou te doorstaan. In de laatste decennia is die grens op sommige plekken iets naar het noorden opgeschoven, waar de zuidelijker carolinamees terrein wint.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Fluit zelf een fie-bie na aan de rand van een winters bosje, en binnen enkele minuten komt vrijwel gegarandeerd een groepje op onderzoek uit. Let in het najaar op de foerageergroepjes die van boom tot boom trekken — waar matkoppen zitten, reist vaak een handjevol andere soorten mee.

Staat van instandhouding

Talrijk en stabiel, met een populatie in de tientallen miljoenen; de soort profiteert van voedertafels en is niet bedreigd (LC). Koude, droge winters bekomen hem beter dan zachte, natte, die zijn opgeslagen zaadvoorraad kunnen laten bederven.

Wetenschappelijke naam

Poecile atricapillus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Parus atricapillus, bij de mezen; ze is sindsdien naar een ander geslacht overgeplaatst, en daarom staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poecile werd in 1829 ingevoerd door Kaup, naar het Griekse poikilos, 'bontgekleurd' — een naam die Aristoteles oorspronkelijk voor een klein vogeltje gebruikte. atricapillus is Latijn voor 'zwartharig', naar de zwarte kruin. De typelocatie werd eerst algemeen als 'Canada' opgegeven, later beperkt tot Quebec-Stad.