Alle soortenZangvogelsMezen › Carolinamees

Carolinamees | Poecile carolinensis

Carolina Chickadee | Carbonero de Carolina

De carolinamees is de mees van het zuidoosten van de Verenigde Staten, en hij lijkt zo sterk op de amerikaanse matkop dat de twee pas in 1834 uit elkaar zijn gehaald. Waar hun arealen elkaar raken loopt een smalle strook waarin ze met elkaar broeden, en die strook schuift sinds de jaren zeventig naar het noorden.

Carolinamees (Poecile carolinensis)
Foto: Dan Pancamo — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een helder gefloten fie-bie fie-bee van vier tonen, twee hoge en twee lage om en om; de matkop houdt het op twee tonen. De roep waaraan de vogel zijn Engelse naam dankt is een snel tsjika-die-die-die, hoger en aanmerkelijk sneller afgeraffeld dan bij de matkop. Het aantal die-lettergrepen loopt op met de onrust in de troep: bij een uil of een kat op de grond komen er meer achteraan. In de strook waar beide soorten voorkomen zingen vogels de strofen van allebei, en dan is het geluid geen bewijs meer.

Luister: ZangXC870687

Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · Chapel Hill, Orange County, North Carolina, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine grijze mees met een zwarte kruin die tot achter in de nek doorloopt, een zwarte keelvlek, en helderwitte wangen daartussen. De rug is egaal grijs, de flanken hooguit vaal beige, de onderzijde vuilwit. Man, vrouw en jonge vogel zijn gelijk getekend, en er is geen afwijkend seizoenskleed. De vleugelveren hebben smalle, weinig opvallende lichte randen, waar die van de matkop brede witte zomen dragen die in de opgevouwen vleugel een licht vlak maken. De onderrand van de zwarte keelvlek is recht en scherp begrensd; bij de matkop rafelt hij naar de borst uit.

Verwarrings­soorten

De amerikaanse matkop (Poecile atricapillus) is het eigenlijke probleem: iets groter, met brede witte zomen aan de vleugelveren en een uitgerafelde zwarte keelvlek, maar in een smalle strook van New Jersey tot Kansas overlappen de twee en kruisen ze bovendien. Buiten die strook is de plaats waar je staat een betrouwbaarder kenmerk dan de vogel zelf. De bruinkopmees (Poecile hudsonicus) van de noordelijke naaldbossen heeft een bruine kruin en roestbruine flanken en komt niet zo ver zuidelijk. De blauwgrijze muggenvanger zit in dezelfde takken en is even klein en grijs, maar mist de zwarte kop en draagt een lange, wit omzoomde staart die hij voortdurend beweegt.

Leefgebied

Loofbos en gemengd bos met veel dood hout, en vooral de randen daarvan: bosranden, houtwallen, oeverbossen, en tuinen en parken met oude bomen. In het zuidoosten gaat hij tot in dennenbos en open eikenland, en in de laagvlakten tot in moerasbos van cipres en gomboom. Hij hakt zijn nestholte zelf uit in zacht, rot hout, en daarom heeft hij staande dode stammen nodig; waar die zijn opgeruimd neemt hij een nestkast. Hoog gesloten bos zonder onderlaag en open akkerland gebruikt hij niet. In de winter blijft hij in hetzelfde bos en zwerft hij met een vaste troep door een vast gebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het zuidoosten van de Verenigde Staten, van het zuiden van New Jersey, Pennsylvania en Ohio zuidwaarts tot de Golfkust en Midden-Florida, westwaarts tot in Midden-Texas en het oosten van Oklahoma en Kansas. Hij trekt niet en wordt buiten dat areaal vrijwel niet gezien; ook jonge vogels blijven dicht bij huis. De noordgrens ligt tegen die van de matkop aan en is in de laatste vijftig jaar op verschillende plekken tientallen kilometers naar het noorden opgeschoven, in Illinois en Missouri gemeten aan de ligging van de kruisingszone. Onderzoekers brengen die verschuiving in verband met de winterse minimumtemperatuur.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek niet de vogel maar de troep: buiten het broedseizoen trekt hij in een vaste groep door zijn gebied, en boomklevers, boomkruipers en overwinterende zangers hangen daaraan. Kom je in de zone waar beide mezen voorkomen, tel dan de gefloten tonen — vier, om en om hoog en laag, is de carolinamees; twee is de matkop — en houd het pas voor zeker na een paar herhalingen. Een handvol zonnebloempitten op de rand van een tuin haalt hem meestal binnen een kwartier tevoorschijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een broedbevolking die op ruim tien miljoen vogels wordt geschat en sinds 1966 vrijwel stabiel is. Het verlies van staande dode bomen in beheerde bossen en in tuinen kost hem nestholtes; nestkasten vangen dat deels op. Aan de noordrand van het areaal schuift zijn grens mee met de zachter wordende winters, ten koste van de matkop.

Wetenschappelijke naam

Poecile carolinensis | (Audubon, 1834)

Audubon beschreef de soort in 1834 als Parus carolinensis, bij de mezen van de Oude Wereld; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poecile werd in 1829 ingevoerd door Kaup en gaat terug op het Griekse poikilos, 'bont' of 'gevlekt'. carolinensis betekent 'van Carolina'. De typelocatie is Charleston in South Carolina, waar Audubon opmerkte dat deze mees kleiner was en anders klonk dan de vogel die hij uit het noorden kende.