Alle soortenZangvogelsLeeuweriken › Veldleeuwerik

Veldleeuwerik | Alauda arvensis

Eurasian Skylark | Alondra común

De veldleeuwerik is een gestreepte, grondbewonende zangvogel van open grasland, met een korte stompe kuif en witte buitenste staartpennen. In Noord-Amerika bestaat hij op twee manieren: als ingevoerde broedvogel op het zuidoosten van Vancouver Island, waar hij rond 1903 werd uitgezet, en als Aziatische vogel die jaarlijks in klein aantal op de westelijke Aleoeten en de Beringzee-eilanden verschijnt.

Veldleeuwerik (Alauda arvensis)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is het herkenningsteken bij uitstek: een onafgebroken, snel rollende stroom van getrillerde en fluitende notities, zonder duidelijke frasegrens, voorgedragen tijdens de zangvlucht. Het mannetje klimt in steile spiralen tot vijftig à honderd meter, blijft daar hangen en zingt twee tot drie minuten aan één stuk, in de hoogtijd van het seizoen aanzienlijk langer, om daarna in etappes te dalen. Vanaf de grond of een paaltje zingt hij ook, maar korter. De roep is een droog, rollend prriet dat opvliegende vogels laten horen.

Luister: VluchtroepXC1091835

Opname: Noé Ferrari — CC BY 4.0 · Arrondissement d'Abbeville (near Quend), Somme, Hauts-de-France, France · xeno-canto

Herkenning

Vrij grote, forsgebouwde leeuwerik met een lange vleugel en een vrij lange staart. Bovendelen grijsbruin met donkere lengtestrepen, borst okerachtig met fijne strepen die scherp ophouden bij de vuilwitte buik. Op de kruin staat een korte stompe kuif die wordt opgezet en neergelegd. De achterrand van de vleugel en de buitenste staartpennen zijn wit; die twee witte randen zijn zichtbaar bij een wegvliegende vogel en niet bij een naderende. De nagel van de achterteen is lang en vrijwel recht. Hij loopt over de grond en hipt niet.

Verwarrings­soorten

De strandleeuwerik, de inheemse leeuwerik van Noord-Amerika, heeft een ongestreepte gele of witte kop met een zwart masker en een zwarte borstband, en twee dunne zwarte veerhoorntjes in plaats van een kuif; bij hem is de staart zwart met witte zoom in plaats van bruin met witte buitenranden. De grasgors is kleiner, heeft een korte vinkensnavel, een geelachtige teugel en geen witte vleugelachterrand. De kleine pieper loopt eveneens over de grond maar is slanker, dunner van snavel en heeft geen kuif. Het doorlopende, niet in frasen verdeelde gezang in de lucht is in Noord-Amerika van geen enkele andere vogel bekend.

Leefgebied

Kort tot middelhoog, open grasland zonder bomen of struiken: op Vancouver Island vooral de graslanden van vliegveld Victoria en enkele weiden en akkers in het Saanich-schiereiland, in Azië graslanden, akkers en toendrarand. Het nest is een kuiltje op de open grond, bekleed met gras, altijd ver van opgaande begroeiing. In de winter foerageren de vogels in troepen op stoppelvelden en kort grasland. Opgaande beplanting, bebouwing en hoog, dicht gewas maken een terrein voor de soort onbruikbaar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van oorsprong een soort van Europa en Azië. De Noord-Amerikaanse broedpopulatie gaat terug op vogels die in 1903 bij Victoria zijn uitgezet; deze bereikte rond 1962 ruim duizend vogels, daalde in de jaren negentig tot ongeveer tweehonderd en is nu tot enkele tientallen op een handvol terreinen in Zuidoost-Vancouver Island beperkt. De uitloper op San Juan Island en Lopez Island in Washington is vrijwel verdwenen; er zijn nog losse waarnemingen. Daarnaast verschijnen vogels van de Oost-Aziatische ondersoort pekinensis in mei en in het najaar geregeld op Attu, Shemya en andere westelijke Aleoeten en op de Pribilof-eilanden, waar in enkele jaren ook broedgevallen zijn vastgesteld.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Op Vancouver Island is het open grasland rond het vliegveld van Victoria in april en mei de plek: zoek niet de vogel op de grond maar het geluid in de lucht en volg dat omhoog tot je de zwevende zanger vindt. Op de Aleoeten valt de soort meestal op als een zware, gestreepte vogel die uit kort gras opvliegt met een rollend prriet en witte buitenste staartpennen laat zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd is de soort niet bedreigd, maar in West-Europa is ze sterk afgenomen door intensivering van de landbouw: in het Verenigd Koninkrijk gaat het over de laatste twee decennia om een daling in de orde van enkele tot tientallen procenten, vooral door de overgang van zomergraan naar wintergraan, waardoor het gewas in het voorjaar te hoog en te dicht staat. De populatie op Vancouver Island loopt terug door bebouwing van agrarisch grasland en door predatie van uitgezette vossen en verwilderde katten; ze staat in Brits-Columbia op de lijst van soorten met beheersaandacht.

Wetenschappelijke naam

Alauda arvensis | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda arvensis; auteur en jaartal staan niet tussen haakjes, want de soort staat nog in het oorspronkelijke geslacht. Alauda is het Latijnse woord voor leeuwerik, waarschijnlijk uit het Keltisch overgenomen. De soortnaam arvensis betekent 'van de akker', van arvum 'bouwland'. Het beschreven materiaal kwam uit Zweden; de typelocatie is later vastgelegd op Uppsala.