Alle soortenZangvogelsMezen › Grijsflankmees

Grijsflankmees | Poecile sclateri

Mexican Chickadee | Carbonero mexicano

De grijsflankmees is de donkerste mees van Noord-Amerika: een grote zwarte keelvlek die tot op de borst doorloopt, grijze flanken zonder enige okerkleur. Het areaal ligt vrijwel geheel in de Mexicaanse bergen; in de Verenigde Staten komt hij alleen voor in de Chiricahua Mountains van Zuidoost-Arizona en de Animas- en Peloncillo Mountains van Zuidwest-New Mexico.

Grijsflankmees (Poecile sclateri)
Foto: Dan Vickers — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid wijkt af van dat van de andere mezen. De zang is een reeks korte, afgebroken frasen die als pieta pieta pieta wordt weergegeven, met een gorgelende ondertoon. De roep is een hoge, schurende sjieeer en een raspend tsie-tsie-sjsj-sjsj; het gewone tsjik-a-dee klinkt hier hees en geblazen. In gemengde foerageertroepen zijn het meestal deze roepen die de troep verraden.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Grijze mees met een zwarte kap die tot in de nek doorloopt en bij goed licht een zwakke blauwe glans heeft. De wang is wit, maar kleiner dan bij de andere mezen doordat het zwart van kin en keel ver naar beneden doorloopt: de keelvlek bedekt keel én bovenborst en is daarmee de grootste van alle Noord-Amerikaanse mezen. Rug en schouders zijn donker olijfgrijs tot muisgrijs, de flanken en onderstaartdekveren lichter olijfgrijs, de onderborst en buik wit. Warme oker- of bruintinten ontbreken volledig.

Verwarrings­soorten

Binnen het kleine Amerikaanse areaal is er geen andere mees waarmee verwarring voor de hand ligt; gambels mees komt in die bergen op andere hellingen en hoogten voor en heeft een witte wenkbrauwstreep, een kleine keelvlek en bleker grijze flanken. In Mexico raakt het areaal dat van gambels mees alleen in het uiterste noordwesten; ook daar is de wenkbrauwstreep het snelste onderscheid. De teugelmees van dezelfde bergen heeft een kuif en een zwart-wit getekende kop. Het geluid is in alle gevallen bruikbaar: de hese, gorgelende frasen zijn niet met het heldere tsjik-a-dee van gambels mees te verwarren.

Leefgebied

Naaldbos en dennen-eikenbos in de bergen, met dennen, zilverdennen en sparren, tussen ruwweg 1500 en 3900 meter. In de Verenigde Staten broedt hij vrijwel alleen boven 2100 meter, in douglasspar en zilverden op de hogere hellingen van de Chiricahua's. Nesten worden in holten gemaakt, meestal in een oude spechtenholte of natuurlijke spleet. Buiten het broedseizoen loopt de soort in gemengde troepen met goudhaantjes, boszangers en boomklevers, waarbij de mezen de kern van de troep vormen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van de Sierra Madre Occidental van Sonora en Chihuahua zuidwaarts door Sinaloa, Durango, Zacatecas en Jalisco, van de Sierra Madre Oriental in Coahuila en Nuevo León, en van de Transmexicaanse Vulkaangordel in Michoacán, de staat Mexico, Puebla en Veracruz tot in de bergen van Oaxaca. In de Verenigde Staten gaat het om enkele tientallen tot enkele honderden paren in twee bergeilanden vlak bij de grens. De soort trekt niet; in de winter zakken de vogels iets lager op de helling.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

In de Verenigde Staten is Rustler Park in de Chiricahua Mountains de gebruikelijke plek: rijd in mei of juni naar boven en luister naar de hese roep in het zilverdennenbos. Kijk niet naar de rugkleur maar naar de onderkant: de zwarte keelvlek die tot op de borst doorloopt is ook op afstand en tegen het licht te zien.

Staat van instandhouding

De IUCN schat de populatie op ongeveer twee miljoen volwassen vogels en beschouwt de trend als dalend, zonder dat de soort bedreigd is. In het Mexicaanse kerngebied zijn houtkap en omzetting van dennen-eikenbos het knelpunt; het bos wordt daar nauwelijks systematisch geteld, zodat de trend berust op schattingen van habitatverlies. De Amerikaanse populatie is klein en beperkt tot twee bergeilanden, waar grote bosbranden zoals die van 2011 in de Chiricahua's een groot deel van het broedgebied in één seizoen kunnen veranderen.

Wetenschappelijke naam

Poecile sclateri | (Kleinschmidt, 1897)

Otto Kleinschmidt beschreef de soort in 1897 als Parus sclateri; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poecile werd in 1829 ingevoerd door Johann Jakob Kaup, naar het Griekse poikilos 'bont, gevlekt'. De soortnaam sclateri verwijst naar de Britse zoöloog Philip Lutley Sclater. Het beschreven exemplaar kwam van El Jacale in Zuid-Mexico, vermoedelijk in Veracruz of Puebla.