Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Strandleeuwerik
Strandleeuwerik | Eremophila alpestris
Horned Lark | Alondra cornuda
De strandleeuwerik is de enige leeuwerik die in Noord-Amerika van nature voorkomt, en meteen een van de wijdst verspreide zangvogels van het werelddeel: hij broedt van de arctische toendra en de alpiene toppen tot in de woestijn en op de akkers van het Middenwesten. Het zwart-gele gezichtspatroon en de twee zwarte veerhoorntjes zijn alleen van dichtbij te zien; op afstand is het een bruin vogeltje dat over kale grond loopt.
Geluid
De zang is een ijl, hoog getinkel dat in tempo en toonhoogte oploopt, alsof er glassplinters achter elkaar worden gestrooid: tsie-tie-tie-tsiedelie. Hij zingt zowel vanaf een kluit, een steen of een hek als hoog in de lucht, en laat zich na de vlucht met halfgesloten vleugels naar beneden vallen. De vluchtroep is een fijn, tweelettergrepig tsie-tit, in de winter het geluid boven je hoofd wanneer een troep overtrekt; dat verraadt de vogels vrijwel altijd eerder dan het oog ze vindt. Al in februari, met sneeuw op de akkers, is de zang te horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het gezicht bepaalt alles: een gele tot witte wenkbrauw en keel, een zwarte streep die van de snavel onder het oog doorloopt en langs de wang omlaag buigt, een zwarte band over het voorhoofd en een brede zwarte borstband. Achter op de kop staan twee kleine zwarte veerhoorntjes, die meestal plat liggen en dan onzichtbaar zijn. De bovenzijde is bruin en verschilt per streek van rozeachtig en zandkleurig tot grijsbruin; het vrouwtje is doffer, met vagere tekening en kortere hoorntjes. Jonge vogels zijn gevlekt en missen het koppatroon volledig, wat elk najaar tot verwarring leidt. Op de grond loopt hij en hipt hij niet, en bij onraad drukt hij zich plat tegen de aarde.
Verwarringssoorten
De pacifische waterpieper loopt in dezelfde kale velden, maar is slanker, heeft een dunne snavel, wipt voortdurend met de staart en mist het zwart-gele koppatroon. Sneeuwgorzen in winterkleed hebben veel meer wit in vleugel en staart en een zware gele snavel. Gorzen van het geslacht Calcarius zitten 's winters in dezelfde troepen op stoppelvelden; ze zijn ronder en korter van staart, hebben een andere vluchtroep en gaan bij verstoring hoger de lucht in. Jonge strandleeuweriken worden voor een pieper of een gors aangezien; let dan op de zwarte staart met smalle witte buitenranden en op de manier van lopen.
Leefgebied
Kale of zeer korte grond, en verder maakt het hem weinig uit: arctische toendra, alpiene grond boven de boomgrens, kortgrasprairie, alkali- en zoutvlakten, geploegde akkers en stoppelvelden, luchthavens, kustduinen en zandvlaktes achter het strand. Waar de begroeiing tot boven zijn kop komt verdwijnt hij, en struiken en bomen mijdt hij volledig. Daardoor profiteert hij van overbegrazing, ploegen en zandwinning, en verlaat hij een terrein zodra het dichtgroeit. In de woestijn zit hij op de kale vlakte, niet in het struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van Noord-Alaska en de Canadese arctische eilanden tot in centraal Mexico, met een geïsoleerde populatie in de Andes van Colombia; dat laatste gebied ligt buiten het kaartvenster van deze gids. Dezelfde soort bewoont Noord-Europa en Azië, waar hij naar de kusten heet waarop hij overwintert. De vogels van het hoge noorden trekken weg en overwinteren in troepen op akkers, wegbermen en kustvlakten in het midden en zuiden van de Verenigde Staten; in het westen, op de prairies en in Mexico blijft hij het hele jaar zitten. In Noord-Amerika worden een stuk of twintig ondersoorten onderscheiden, die in kleur nauw aansluiten bij de grond waarop ze broeden: bleek op zand, rossig op rode aarde, donker op vulkanische bodem.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op de kaalste plek van het landschap: een geploegde akker met een sneeuwrand, een grindberm, de rand van een landingsbaan. Rijd in de winter langzaam langs zulke wegen en let op vogels die vlak voor de auto opvliegen en zich even verderop weer laten vallen — de fijne vluchtroep is dan meestal het eerste wat je opvangt. En kijk in februari en maart omhoog boven kale akkers: de zang komt uit de lucht, van een vogel die zo hoog hangt dat hij met het blote oog nauwelijks te vinden is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, en met naar schatting 140 miljoen vogels een van de talrijkste zangvogels van het werelddeel — en tegelijk een van de hardst dalende. De Breeding Bird Survey laat tussen 1966 en 2019 een afname van bijna twee procent per jaar zien, samen ongeveer 64 procent. De oorzaken zijn niet volledig begrepen, maar het verlies van kale, korte grond speelt mee: velden die dichtgroeien of worden herbebost, veranderd akkerbeheer en bebouwing. Voor één vorm is het al kritiek: de gestreepte leeuwerik van de noordwestkust, Eremophila alpestris subsp. strigata, staat sinds 2013 als bedreigd op de Amerikaanse federale lijst en is als broedvogel uit Brits-Columbia verdwenen.
Wetenschappelijke naam
Eremophila alpestris | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda alpestris, bij de leeuweriken; omdat ze later in Eremophila is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht werd in 1828 ingevoerd door Boie, uit het Griekse erēmos, 'woestijn' of 'eenzame plaats', en phileō, 'houden van' — de woestijnminnaar. alpestris is Latijn voor 'van de hoge bergen'. Het beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika, later beperkt tot de kust van South Carolina: een overwinteraar aan zee dus, waarmee de naam er ver naast zit. De Nederlandse naam komt van diezelfde winterse stranden, de Engelse van de veerhoorntjes.




