Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse watersnip

Amerikaanse watersnip | Gallinago delicata

Wilson's Snipe | Agachadiza de Wilson

Een gedrongen moerasvogel met een rechte snavel die bijna een derde van zijn lengte beslaat, zo getekend dat hij in het natte gras pas opvalt als hij onder je voeten wegvliegt. In de schemering van het voorjaar cirkelt hij hoog boven het moeras en laat een zoemend geluid horen dat niet uit de keel komt maar van de lucht die langs zijn buitenste staartpennen strijkt. Tot 2002 gold hij als dezelfde soort als de watersnip van Eurazië.

Amerikaanse watersnip (Gallinago delicata)
Foto: Gregory "Slobirdr" Smith — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Boven het broedmoeras klinkt in de schemering een zoemend, aanzwellend woe-woe-woe-woe, dat in kracht toeneemt en dan wegsterft; het ontstaat doordat de lucht langs de gespreide, smalle buitenste staartpennen strijkt terwijl de vogel in een wijde boog omlaag duikt. Zowel het mannetje als het vrouwtje vliegt zo, vooral bij weinig licht, en op de langste dagen soms de hele nacht door. Van een paal, een hek of een boomtop komt daarnaast een hard, eentonig tsjek-tsjek-tsjek, dat minutenlang wordt volgehouden. Wie hem opjaagt hoort een kort raspend skaip terwijl de vogel in een zigzag wegschiet. Buiten de broedtijd is dat vrijwel het enige geluid dat hij maakt.

Luister: VluchtroepXC1142919

Opname: Dag Österlund — CC BY-NC-SA 4.0 · Storsjö, Berg Municipality, Jämtlands län, Sweden · xeno-canto

Herkenning

Een korte, zware vogel op korte poten, met een rechte snavel van zes tot zeven centimeter en een grote kop met een donkere kruin waarover een lichte middenstreep loopt. Over de rug lopen vier roomkleurige lengtestrepen die als bretels afsteken tegen het zwartbruine mozaïek eronder; de flanken zijn zwaar zwart gebandeerd en de buik is wit. De vleugels zijn spits en donker, de ondervleugel is dicht gebandeerd en de witte zoom langs de achterrand is smal. In de vlucht is de staart kort en oranje met een zwarte band, en het opvliegen gaat in een snelle, hoekige zigzag. Man en vrouw zien er hetzelfde uit, en jonge vogels zijn na enkele weken niet meer van de oude te onderscheiden.

Verwarrings­soorten

De watersnip (Gallinago gallinago) van Eurazië, in Noord-Amerika alleen gast in westelijk Alaska, heeft zeven paar staartpennen tegen acht bij deze soort, een breder wit zoompje langs de achterrand van de vleugel en een grotendeels witte ondervleugel in plaats van een dicht gebandeerde. Bij het opvliegen roepen ze allebei even rauw, zodat die roep niets uitmaakt; het verschil zit in de baltsvlucht, die bij deze soort hoger en dunner klinkt doordat de buitenste staartpennen smaller zijn. De grote grijze snip (Limnodromus scolopaceus) heeft langere poten, staat in groepen in ondiep water te steken met een op- en neergaande beweging en toont in de vlucht een witte wig over de rug. De Amerikaanse houtsnip (Scolopax minor) is ronder, heeft brede stompe vleugels en een egaal oranje onderzijde, en zit in bos en niet in moeras.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Natte zeggeweiden, veen en muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada), en de drassige randen van sloten, poelen en beken: overal waar een zachte, doorweekte bodem onder een lage, open begroeiing ligt. Hij heeft twee dingen tegelijk nodig — gras of zegge om overdag in weg te zitten, en open modder om met de lange snavel in te steken; hoog dicht riet en droge grond mijdt hij. In de winter schuift hij op naar ondergelopen akkers, rijstvelden, bermsloten en de randen van spaarbekkens, tot in de tropen toe. Kale slikplaten zonder dekking gebruikt hij zelden, anders dan de meeste andere steltlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van westelijk Alaska door heel Canada tot Newfoundland en zuidwaarts tot in de noordelijke staten, met uitlopers in de bergen van Colorado en Californië. Het winterareaal loopt van de zuidelijke helft van de Verenigde Staten door heel Mexico en Midden-Amerika tot in het noorden van Zuid-Amerika, en over de Grote Antillen. In een brede band langs de Grote Oceaan en door het Grote Bekken blijven vogels het hele jaar. Hij trekt 's nachts, alleen of in losse groepjes, in maart en april naar het noorden en van september tot november terug. Het droogleggen van natte weiden en het rechttrekken van beken heeft zijn broedgebied in de laagvlakten van het midden en het oosten in de twintigste eeuw uitgedund.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in mei of juni bij zonsondergang naar een nat weiland of veen en blijf staan: het zoemen van de baltsvlucht komt van hoog boven je en lijkt van alle kanten tegelijk te komen, en pas als de vogel omlaag duikt zie je waar hij zit. Buiten de broedtijd loop je langzaam langs de rand van een ondergelopen akker of een greppel; hij laat je tot op enkele meters naderen en gaat dan met een raspende roep in een zigzag weg. Kijk op dat moment naar de korte oranje staart — vaak is dat het enige wat je van hem te zien krijgt.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op twee miljoen vogels en de tellingen tussen 1966 en 2019 laten geen richting zien. Hij is jachtwild: van 2019 tot 2021 werden er jaarlijks ongeveer 93.000 geschoten. De grootste druk komt van het verdwijnen van natte weiden en moerassen; daarnaast sneuvelen trekkende vogels 's nachts tegen masten, draden en verlichte gebouwen.

Wetenschappelijke naam

Gallinago delicata | (Ord, 1825)

George Ord beschreef de soort in 1825 als Scolopax delicata, in het negende deel van Alexander Wilsons American Ornithology; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gallinago werd in 1760 ingevoerd door Brisson; het is een Latijns woord voor snip, gevormd bij gallina, 'hen'. delicata is Latijn voor 'fijn' of 'teer'. Het beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania. De Engelse naam eert Wilson, wiens boek Ord na diens dood afmaakte.