Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Watersnip

Watersnip | Gallinago gallinago

Common Snipe | Agachadiza común

Een snip van Eurazië die in Noord-Amerika alleen aan de uiterste westrand verschijnt: op de buitenste Aleoeten en de eilanden in de Beringzee, in kleine aantallen maar bijna elk jaar. Tot 2002 werd hij samen met de amerikaanse watersnip als één soort geteld, en wie hem hier wil aanwijzen moet naar de ondervleugel, de achterrand van de vleugel en het aantal staartpennen kijken. Verder oostwaarts op het continent is hij nauwelijks vastgesteld.

Watersnip (Gallinago gallinago)
Foto: Shino jacob koottanad — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het broedgebied laat het mannetje in de schemering een laag, vol zoemend woe-woe-woe-woe horen, dat ontstaat als de lucht langs de gespreide buitenste staartpennen strijkt tijdens een duik; het klinkt voller en lager dan bij de amerikaanse watersnip, waarvan die pennen smaller zijn. Van een paal of een hek komt daarnaast een hard herhaald tsjip-per tsjip-per. Bij het opvliegen klinkt een kort, rauw skaap, dat vrijwel gelijk is aan dat van de amerikaanse watersnip en dus geen houvast geeft. Op de eilanden voor Alaska zie je hem meestal zwijgend uit een natte weide opgaan.

Luister: ZangXC1105576

Opname: Kevin Guille — CC0 · Birky, Lyubeshivs'kyi district, Volyn Oblast, Ukraine · xeno-canto

Herkenning

Even groot en vrijwel even getekend als de amerikaanse watersnip: dezelfde roomkleurige bretels over de rug, dezelfde lichte middenstreep over de donkere kruin en dezelfde lange rechte snavel. Het verschil zit in de vleugel en de staart: de witte zoom langs de achterrand van de arm is breed, de ondervleugel is overwegend wit met dunne banden, en de staart telt zeven paar pennen waarvan de buitenste betrekkelijk breed zijn. De flanken zijn minder zwaar gebandeerd, waardoor de onderzijde witter overkomt. In de vlucht is het silhouet hetzelfde: spitse donkere vleugels, korte oranje staart met een zwarte band, en een hoekige zigzag bij het opvliegen. Man en vrouw zien er hetzelfde uit, en jonge vogels zijn na enkele weken niet meer van de oude te onderscheiden.

Verwarrings­soorten

Alles draait om de amerikaanse watersnip (Gallinago delicata), die in westelijk Alaska ook voorkomt: die heeft acht paar staartpennen tegen zeven bij deze soort, en de buitenste zijn zo smal dat de baltsvlucht er hoger en dunner van klinkt. In de vlucht is de witte achterrand van de vleugel bij de amerikaanse watersnip smaller en de ondervleugel dicht donker gebandeerd, terwijl die hier overwegend wit is; de flanken zijn daar ook zwaarder zwart gestreept. De roep bij het opvliegen is bij beide een kort raspend geluid en helpt niet. Op afstand kan de grote grijze snip (Limnodromus scolopaceus) op een snip lijken, maar die heeft langere poten, een witte wig over de rug en zoekt in groepen in het open water. Een foto van de gespreide staart is bij deze soort meestal het enige bewijs dat standhoudt.

Leefgebied

Op de eilanden in de Beringzee en de Aleoeten zit hij in natte zeggeweiden, langs greppels en aan de drassige randen van poelen en beekjes, meestal in de dekking van laag gras. Hij zoekt dezelfde zachte, doorweekte bodem als zijn Amerikaanse tegenhanger en steekt daar met de lange snavel in naar wormen en insectenlarven. Open slik zonder dekking en droge toendra mijdt hij. In het broedgebied in Eurazië gaat het om natte weiden, veen, moerasranden en drassig grasland langs sloten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt van IJsland en Ierland oostwaarts door Europa en Siberië tot aan de Beringzee, en overwintert van westelijk Europa en Afrika tot Zuid- en Zuidoost-Azië. Aan de Amerikaanse kant verschijnt hij vrijwel jaarlijks in kleine aantallen op de buitenste Aleoeten — Attu, Shemya en Buldir — en op de Pribilofs en St. Lawrence, vooral van half mei tot in juni en in mindere mate in de nazomer. Enkele vogels blijven op die eilanden de zomer over. Buiten Alaska zijn er van het continent maar enkele waarnemingen, en die vragen bijna altijd om foto's van de gespreide staart. Hoeveel er hier komen hangt af van hoeveel Siberische vogels in het voorjaar te ver naar het oosten doorschieten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wie in de laatste week van mei of de eerste van juni op Attu, Shemya of St. Paul is, bekijkt elke snip die uit een natte weide opgaat. Laat de vogel opvliegen en let eerst op de brede witte achterrand van de vleugel en op de bijna witte ondervleugel. Ga daarna zo laag mogelijk zitten en probeer hem bij het neerstrijken met de staart gespreid te fotograferen; zonder dat beeld blijft de melding meestal onbeslist.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en het zwaartepunt ligt in Rusland en Noord-Europa. In westelijk Europa is de stand in de twintigste eeuw sterk teruggelopen door het draineren en het intensiever gebruiken van natte weiden. Voor Noord-Amerika valt er niets te beheren: hoeveel vogels hier belanden hangt af van de stand in Siberië en van het weer in mei.

Wetenschappelijke naam

Gallinago gallinago | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Gallinago; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gallinago werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is een Latijns woord voor snip, gevormd bij gallina, 'hen'. Het zoemen van de baltsvlucht is in veel talen juist met een geit of een ram vergeleken: 'hemelgeit' en 'donderbok' zijn oude namen voor deze vogel. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam, wat bij Linnaeus vaker gebeurt. De typelocatie is Europa, later beperkt tot Zweden.