Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine Grijze Snip

Kleine Grijze Snip | Limnodromus griseus

Short-billed Dowitcher | Agujeta Gris

De snip van het zoute water: op de wadplaten van beide kusten staan in juli en augustus groepen van deze gedrongen vogels met naaiende bewegingen in de modder te steken. Van de grote grijze snip is hij vooral aan de zachte roep te scheiden, een vol toe-toe-toe. Drie ondersoorten broeden op drie ver uiteen liggende plaatsen en verschillen in hoeveel oranje ze op de onderzijde dragen.

Kleine Grijze Snip (Limnodromus griseus)
Foto: Greg Schechter — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, vol en wat weemoedig toe-toe-toe van twee tot vier tonen, veel lager en ronder dan het scherpe geluid van de grote grijze snip. Bij schrik gaat die reeks over in een sneller, ratelend geluid, maar de klank ervan blijft dezelfde. Boven het broedgebied stijgt het mannetje in een baltsvlucht en herhaalt daarbij een rollende, aanzwellende strofe die minutenlang doorgaat. Op de wadplaat is een foeragerende groep bijna stil; het opgaan van de groep is het moment waarop de roep valt, en daarmee de determinatie.

Luister: VluchtroepXC1020814

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Isle aux Coudres, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen, wat tonvormige vogel met een lange rechte snavel, middellange poten en een korte staart, iets groter dan de kleine geelpootruiter en kleiner dan de grote. In de vlucht loopt een witte wig van de stuit tot ver op de rug en heeft de achterrand van de vleugel een smalle witte zoom; de staart draagt zwarte en witte dwarsbanden van ongeveer gelijke breedte. In broedkleed is de bovenzijde goudbruin en zwart getekend en de onderzijde oranje, met stippen op de borstzijden, dwarsstreepjes op de flanken en bij de meeste vogels een witte buik en onderstaart. In winterkleed is de vogel grijsbruin van boven en licht van onderen, met een fijn gevlekte borst die minder scherp van de buik is afgescheiden dan bij de grote grijze snip. Jonge vogels zijn warm getekend, met een oranje borst en met tertials en grote dekveren die binnenin strepen en banden dragen. Het foerageren gaat in een snelle, verticale op-en-neerbeweging, met de snavel diep in het slik en de kop tot aan de ogen onder water.

Verwarrings­soorten

De grote grijze snip (Limnodromus scolopaceus) lijkt sterk op deze soort, en de roep is de zekerste scheiding: het zachte, volle toe-toe-toe van deze soort tegenover een dun en hoog kiek, alleen of in een ratelende reeks. De snavel is hier gemiddeld korter, iets dikker en met een stompe, licht hangende punt, maar de overlap is zo groot dat de snavel op zichzelf niets beslist. In broedkleed staan hier stippen op de borstzijden en zijn de veerzomen van borst en flanken oranje, met bij de meeste vogels een witte buik, terwijl de grote grijze snip dwarsstrepen heeft, witte zomen en rood tot in de onderstaartdekveren. Bij jonge vogels beslist de tertial: hier met strepen en banden binnen in de veer, bij de grote egaal grijs met alleen een dunne zoom. Ook de plaats helpt: deze soort is in de winter de snip van het getijdenslik en de lagune, de grote die van zoet water in het binnenland.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Hij broedt op de overgang van taiga naar toendra, in veenmoerassen en natte zeggeweiden bij meren, met het nest in een pol dicht bij het water. Buiten de broedtijd is hij bijna geheel gebonden aan zout en brak water: wadplaten in estuaria en baaien, lagunen, zoutpannen en de rand van de mangrove. Op de trek door het binnenland gebruikt hij ondergelopen akkers, opgestuwde plassen en zuiveringsvijvers, altijd met een zachte bodem en ondiep water. Rotskust en diep water mijdt hij, en het zoete binnenwater laat hij in de winter aan de grote grijze snip.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De drie ondersoorten broeden ver uit elkaar. Limnodromus griseus subsp. caurinus broedt aan de zuidkust van Alaska, in het zuidwesten van Yukon en het noordwesten van Brits-Columbia en trekt langs de Grote Oceaan naar Californië en verder zuidwaarts; subsp. hendersoni broedt van het zuidoosten van de Northwest Territories door het noorden van Alberta, Saskatchewan en Manitoba tot de Hudsonbaailaagte in Ontario en de eilanden in James Bay, en overwintert aan de Atlantische kust, de Golfkust, in het Caraïbisch gebied en in Midden-Amerika; subsp. griseus broedt in het noorden van Quebec en midden-Labrador en trekt over de Atlantische kust naar de Caraïben en het noorden van Zuid-Amerika. In mei verzamelen tienduizenden zich aan Delaware Bay, waar ze zich aan de eieren van degenkrabben vetvreten. De volwassen vogels trekken in juli zuidwaarts en de jonge vogels pas in augustus en september, een verschil van weken dat op elke wadplaat te merken is.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in juli of begin augustus bij afgaand tij naar een wadplaat in een estuarium: op dat moment zijn de volwassen vogels er en is vrijwel elke snip van dit geslacht deze soort. Laat de groep opgaan en luister — het zachte toe-toe-toe beslist wat de snavel niet beslist. Vanaf eind augustus zijn het de jonge vogels, en dan is de tertial met strepen erin het kenmerk om op te letten.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als kwetsbaar (VU), en in de Noord-Amerikaanse stand van zaken van 2025 staat ze in de op een na zwaarste categorie: meer dan de helft van de vogels is in vijftig jaar verdwenen. De broedpopulatie wordt op ongeveer 150.000 vogels geschat. Canada beoordeelde de ondersoorten in 2024 apart en zette caurinus op de zwaarste trede van zijn eigen lijst en hendersoni en griseus samen op de trede daaronder. De zwaarste bedreiging is de jacht in de overwinteringsgebieden; daarnaast tellen het verlies van kust door bebouwing en zeespiegelstijging, verstoring op de tussenstops, en de teruggang van de degenkrab aan Delaware Bay.

Wetenschappelijke naam

Limnodromus griseus | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax grisea, bij de snippen; sinds ze in het geslacht Limnodromus is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Limnodromus is gevormd uit het Griekse limne, 'moeras', en dromos, 'loper'. griseus is middeleeuws Latijn voor 'grijs', naar het winterkleed waarin het beschreven exemplaar stak. Dat kwam van de kust van New York, dat wil zeggen van Long Island.