Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse houtsnip
Amerikaanse houtsnip | Scolopax minor
American Woodcock | Chocha Americana
Een steltloper die in het bos woont: rond, kortpotig, met een lange rechte snavel en een verenkleed dat de kleur en de tekening van dood blad heeft. Bij het invallen van de schemering in maart en april stijgt het mannetje vanaf een open plek in een wijde spiraal op, met een tjilpend geluid dat niet uit de keel maar uit de vleugels komt. De ogen staan zo hoog en zo ver naar achteren in de kop dat hij ook ziet wat achter hem gebeurt terwijl hij met de snavel in de grond staat.
Geluid
Van een open plek in het bos klinkt in de schemering een nasaal, zoemend pieent, om de paar seconden herhaald, dat op korte afstand wordt voorafgegaan door een zacht slikkend toe-koh. Dan zwijgt hij en gaat de lucht in: bij het stijgen ruist een hoog getjilp door de drie smalle buitenste handpennen, geen stemgeluid maar de lucht die erlangs stroomt. Boven in de spiraal, op vijftig tot honderd meter, gaat dat over in een kwinkelerend, hikkend gezang, waarna hij zigzaggend en zwijgend naar het beginpunt terugvalt. De rest van het jaar hoor je hem niet; een opvliegende vogel maakt hooguit een klapperend vleugelgeluid.
Opname: Kai Frueh — CC BY-NC-SA 4.0 · Wintergarden (near Bowling Green), Wood County, Ohio, United States · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vogel met een grote kop, een korte hals, een korte staart en korte poten, met een rechte snavel van zeven centimeter of meer. De bovenzijde is een fijn mozaïek van grijs, zwart en roestbruin dat op de dorre bosbodem niet te zien is, met drie of vier lichte dwarsbanden over de zwarte kruin en een egaal oranjebeige onderzijde. Het oog staat hoog en ver naar achteren in de kop. Man en vrouw zien er hetzelfde uit, al is het vrouwtje iets groter en langer van snavel, en jonge vogels zijn na de eerste weken van de oude niet meer te onderscheiden. In de vlucht zijn de vleugels breed en rond en gaat het opvliegen met een fladderende, uilachtige slag, meestal maar over korte afstand en dan weer de dekking in. Lopend wiegt hij het lichaam ritmisch heen en weer terwijl de kop stil blijft staan.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse watersnip (Gallinago delicata) is slanker, langer van staart en van vleugel, heeft roomkleurige lengtestrepen over kop en rug en een gestreepte en gebandeerde onderzijde; ze zit in open moeras en niet in bos, en vliegt met een raspende roep in een snelle zigzag weg. De houtsnip van Europa (Scolopax rusticola) is een zeldzame gast in het noordoosten, groter en over de hele onderzijde dwarsgebandeerd in plaats van egaal. Het zoemende pieent lijkt op de roep van de Amerikaanse nachtzwaluw (Chordeiles minor), maar die klinkt uit de lucht en niet vanaf de grond. Zie je in het bos een bruine, ronde vogel voor je uit opvliegen die na twintig meter weer valt, dan is er verder weinig anders mogelijk.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Jong, vochtig loofbos en struweel: elzen- en wilgenopslag langs beken, jonge esp en berk na een kap, en verlaten akkers die dichtgroeien. Hij heeft drie dingen tegelijk nodig — een zachte, vochtige bodem met regenwormen om in te steken, dichte dekking om overdag in weg te zitten, en een open plek van een paar honderd vierkante meter om vanaf te baltsen. 's Nachts vliegt hij in de zomer naar open velden om daar te rusten. Oud, gesloten hoogbos zonder struiklaag en droge zandgrond mijdt hij; met het ouder worden van het oostelijke bos is veel van zijn leefgebied verdwenen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van de Maritieme Provincies en Newfoundland westwaarts tot het zuidoosten van Manitoba en zuidwaarts tot oostelijk Texas en het noorden van Florida. De kern van het overwinteringsgebied ligt in Louisiana, Mississippi, Alabama en Georgia; in een brede band daarboven, van Virginia en Kentucky tot Missouri en Oklahoma, blijft hij het hele jaar. Hij trekt 's nachts en vroeg: de eerste mannetjes gaan in warme jaren al in januari naar het noorden, en de najaarstrek valt in oktober en begin november. In de twintigste eeuw liep zijn areaal eerst mee met het verlaten van akkerland in het oosten, dat overal jong struweel opleverde; nu dat struweel bos is geworden, loopt het weer terug.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Het halve uur na zonsondergang in maart of april, aan de rand van een open veld naast een jong, vochtig bos. Wacht op het pieent; houdt het op, kijk dan omhoog — hij gaat in een wijde spiraal de lucht in en komt zigzaggend bijna op dezelfde plek weer neer. Loop naar die plek terwijl hij boven is: het mannetje keert erop terug en laat je dan vaak tot op enkele meters naderen.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst voert de soort als niet bedreigd (LC), en de broedpopulatie wordt op ongeveer 3,5 miljoen vogels geschat. De jaarlijkse telling van baltsende mannetjes laat over vier decennia een daling van gemiddeld 1,1 procent per jaar zien. De belangrijkste oorzaak is het ouder worden van het jonge bos en het verdwijnen van struweel onder bebouwing; de jacht is sterk teruggelopen, van ongeveer anderhalf miljoen vogels per jaar in de jaren zeventig tot rond de 170.000 in 2020. Omdat hij van regenwormen leeft, hoopt hij lood, cadmium en bestrijdingsmiddelen uit de bodem in zijn lichaam op.
Wetenschappelijke naam
Scolopax minor | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax minor, en die naam is sindsdien niet veranderd; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Scolopax is het Latijnse woord voor snip, ontleend aan het Griekse skolopax; het geslacht werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. minor betekent 'kleiner', naar de houtsnip van Europa, Scolopax rusticola, waarnaast dit de kleinere soort is. Het beschreven exemplaar kwam uit New York, en Gmelin baseerde zich op de beschrijving van Pennant.



