Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › ʻAnianiau

ʻAnianiau | Magumma parva

ʻAnianiau | ʻAnianiau

De ʻanianiau is met tien centimeter de kleinste Hawaïaanse honingkruiper: een licht gebouwd, helder geel vogeltje van het bergbos van Kauaʻi. Hij komt alleen op dat eiland voor en is in vijf jaar tijd ongeveer gehalveerd in aantal.

ʻAnianiau (Magumma parva)
Foto: ALAN SCHMIERER from southeast AZ, USA — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een paar notities die als tjoe-wiet klinken. De zang is een korte triller van herhaalde tweeklanken, wie-sie, wie-sie, wie-sie, hoog en dun en zonder de rasperige klanken van de ʻapapane. Het geluid is zwak en draagt niet ver, zeker bij wind in het bos.

Luister: ZangXC27338

Opname: Daniel Lane — CC BY-NC-SA 3.0 · Alaka'i Swamp trail, Kaua'i, Hawaii , United States · xeno-canto

Herkenning

Een klein, rondkoppig vogeltje met een korte, licht gebogen snavel en een korte staart. Het mannetje is over de hele bovenzijde en onderzijde helder geel, iets groener op rug en vleugels; het vrouwtje is doffer en gelijkmatiger geelgroen. De ogen zijn donker en er is geen oogring of teugelstreep. De vogel beweegt snel en rusteloos door de buitenste takken en hangt daarbij vaak ondersteboven bij bloemen.

Verwarrings­soorten

De Kauaʻi-ʻamakihi leeft in hetzelfde bos, is groter, doffer geelgroen en heeft een duidelijk langere, sterker gebogen snavel met een donkere teugelvlek. De ʻakekeʻe is grijsgroener met een blauwgrijze snavel waarvan de punten over elkaar staan. De geïntroduceerde Japanse witoog is eveneens klein en geelgroen, maar heeft een witte oogring en een rechte, spitse snavel. De ʻiʻiwi en de ʻapapane zijn rood en veel groter.

Leefgebied

Nat en vochtig bergbos boven ongeveer 600 meter, met de hoogste dichtheden boven 1100 meter, in opstanden met ʻohiʻa lehua, koa (Acacia koa, een inheemse Hawaïaanse boom), olapa en lapalapa. Hij eet nectar, kleine insecten en spinnen en foerageert in het buitenste, fijne takwerk en in de kruidlaag. Laaggelegen en aangetast bos wordt niet meer bewoond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Endemisch op Kauaʻi, waar het areaal nu vrijwel beperkt is tot het Alakai-plateau en de aangrenzende hoge bossen van Kokee en Waimea Canyon. Historisch kwam de soort over het hele beboste deel van het eiland voor; het bewoonde oppervlak is met ruwweg vijfentachtig procent afgenomen en kromp tussen 2018 en 2023 opnieuw, van ongeveer 11.400 naar 4.300 hectare. De vogels trekken niet, maar verplaatsen zich lokaal met de bloei mee.

HawaïNiihauKauaiOahuLanaiMolokaiKahoolaweMauiHawaii
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de kaart van Noord-Amerika zou deze vogel een stipje ver linksonder zijn, buiten het venster. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Van GBIF komt op deze eilanden vrijwel niets: de verspreiding hier is redactioneel bepaald, uit de standaardwerken. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Het Pihea-pad en de Alakai Swamp Trail bij Kokee State Park geven de grootste kans, bij voorkeur vroeg en bij weinig wind. Zoek in de toppen naar een klein, effen geel vogeltje zonder oogring, dat sneller en nerveuzer beweegt dan de ʻamakihi ernaast; de korte snavel is bij tegenlicht het bruikbaarste kenmerk.

Staat van instandhouding

De soort staat als bedreigd (EN) op de Rode Lijst. Tellingen op Kauaʻi gaven in 2018 nog ongeveer 7500 vogels en in 2023 nog ongeveer 3800, een halvering in vijf jaar. De oorzaak is vogelmalaria: op Kauaʻi ligt geen bos meer hoog genoeg om muggenvrij te blijven, zodat de laatste toevlucht op het Alakai-plateau is weggevallen. Daarnaast spelen aantasting van het bos door varkens en invasieve planten, en predatie door ratten. Bij ongewijzigde afname komt de stand volgens modellen na 2050 onder de grens van dertig vogels. Muggenbestrijding met de Wolbachia-methode is op Kauaʻi in voorbereiding.

Wetenschappelijke naam

Magumma parva | (Stejneger, 1887)

Leonhard Stejneger beschreef de soort in 1887 als Himatione parva; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam parva is Latijn voor 'klein' en slaat op het formaat, dat het kleinste van de familie is. Het geslacht Magumma werd door Gregory Mathews ingevoerd, zonder dat hij een verklaring van de naam gaf; de soort is daarvoor onder Hemignathus, Himatione en Viridonia gerangschikt. De Hawaïaanse naam ʻanianiau is de traditionele naam op Kauaʻi. Het beschreven exemplaar kwam van Kauaʻi.