Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Avonddikbek
Avonddikbek | Hesperiphona vespertina
Evening Grosbeak | Picogordo vespertino
De avonddikbek is een zware vink van het noordelijke en westelijke naaldbos, met een massieve, bleekgroene snavel en een zwart-wit-gele tekening. Hij verschijnt in groepen, soms honderden kilometers buiten het broedgebied, en is in een halve eeuw met meer dan de helft in aantal afgenomen.
Geluid
Een echte zang ontbreekt. Het contactgeluid is een hard, doordringend tsjiep of klieër, in toon vergelijkbaar met een huismus maar veel luider, en een groep in de vlucht laat die roep onophoudelijk horen. Daarnaast klinkt een korte, droge triller. Onderzoek aan de vluchtroep heeft in Noord-Amerika vijf verschillende roeptypen aangetoond, elk met een eigen verspreidingsgebied; ze zijn met een sonagram te scheiden en in het veld alleen met veel oefening.
Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Ensign Township (near Rapid River), Delta County, Michigan, United States · xeno-canto
Herkenning
Een compacte, grootkoppige vink van bijna wielewaalformaat, met een korte staart en een kegelvormige snavel die in het voorjaar bleek geelgroen is en in de winter bleker en witter. Het mannetje heeft een donkerbruine kop met een breed geel wenkbrauwveld dat over het voorhoofd doorloopt, een gele buik en stuit, en zwarte vleugels met een groot wit vlak op de binnenvleugel. Het vrouwtje is olijfgrijs met een gele waas in de nek, een zwart-witte vleugeltekening en een donker gestreepte, bleke keel. De vlucht is golvend, de groep blijft dicht bijeen.
Verwarringssoorten
De haakbek is even zwaar maar rood of geelgroen, met een gehaakte donkere snavel en twee smalle witte vleugelstrepen in plaats van één groot wit vlak. De goudsijs en de dennensijs zijn veel kleiner en hebben een dunne snavel. In Mexico kan de zwartkopdikbek verwarring geven: die is oranjebruin op de borst, heeft een tweekleurige zwaar gebouwde snavel en mist het gele voorhoofdsveld en de grote witte vleugelvlek.
Leefgebied
Volwassen en opgaand naald- en gemengd bos van de boreale zone en de bergen, met voorkeur voor sparren, dennen en aangrenzende esdoorn- en essenopstanden. Buiten de broedtijd komt hij naar loofbos, dorpsranden en tuinen met voederplaatsen, waar hij zonnebloempitten kraakt. In het westen en in Mexico is hij een vogel van dennen-eikenbos in de bergen, tot ver boven de tweeduizend meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van Brits-Columbia en de zuidelijke Yukon door het boreale bos van Canada tot Nova Scotia en New England, en zuidwaarts door de Rocky Mountains, de Sierra Nevada en de Mexicaanse bergketens tot in het Trans-Mexicaanse Vulkanisch Gebergte. Trek is onregelmatig en afhankelijk van de zaadoogst: in invasiejaren bereiken groepen het Midwesten en het middenoosten van de Verenigde Staten, in andere winters blijft het gebied leeg. In de negentiende en twintigste eeuw breidde de soort zich naar het oosten uit, waarschijnlijk door aangeplante vederesdoorn en door voederplaatsen; die uitbreiding is sindsdien deels teruggelopen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Luister eerst en kijk daarna: de scherpe roep van een overtrekkende groep verraadt de soort voordat je hem ziet. In het oosten is een winter met veel esdoorn- en essenzaad de beste kans, en een voederplaats met zonnebloempitten in Noord-Minnesota of Ontario levert vaak groepen van tientallen op.
Staat van instandhouding
De soort staat als kwetsbaar (VU) op de Rode Lijst. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) wijst tussen 1966 en 2023 op een afname van ongeveer 84 procent, en de soort geldt bij Amerikaanse en Canadese organisaties als kantelpuntsoort met een verlies van meer dan de helft van de populatie in vijftig jaar. Genoemde oorzaken zijn kap van boreaal bos, bestrijding van uitbraken van de sparrenknopworm — een belangrijke prooi in de broedtijd —, ziekte via voederplaatsen, aanrijdingen bij wegenzout en botsingen tegen ramen.
Wetenschappelijke naam
Hesperiphona vespertina | (Cooper, 1825)
William Cooper beschreef de soort in 1825 als Fringilla vespertina, naar een exemplaar dat Henry Schoolcraft bij Sault Sainte Marie in Michigan verzamelde; omdat ze later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hesperiphona werd in 1850 ingevoerd door Charles Lucien Bonaparte, uit het Griekse hesperos 'avond' en phone 'stem'. De soortnaam vespertina is Latijn voor 'van de avond'; beide namen gaan terug op de onjuiste aanname dat de vogel pas tegen de schemering zou roepen.




