Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Keep

Keep | Fringilla montifringilla

Brambling | Pinzón real

De keep is een Euraziatische vink met een witte stuit en oranje schouders die jaarlijks in klein aantal op de Aleoeten en de eilanden in de Beringzee verschijnt. Het is de vink van het noordelijke berken- en naaldbos; buiten Alaska duikt hij verspreid over het continent op, meestal aan een voedertafel in de winter.

Keep (Fringilla montifringilla)
Foto: Ragnhild&Neil Crawford — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een nasaal, hard tsjèk of kwèk, vaak gegeven door de hele groep tegelijk bij het opvliegen. De zang is een langgerekte, schorre zjrieee, één toon die enkele seconden aanhoudt en aan het geluid van een groenling doet denken; hij wordt van een hoge tak in het broedbos gebracht en herhaald met lange tussenpozen. In wintergroepen klinkt een zacht, doorlopend gekeuvel tijdens het foerageren onder beuken en berken.

Luister: VluchtroepXC1180525

Opname: Toy Janssen — CC BY-NC-SA 4.0 · Telpost Vogelwacht Uden (near Schaijk), Landerd, Noord-Brabant, Netherlands · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed heeft het mannetje een zwarte kop en mantel, een oranjebruine borst en schouderveren en een witte buik met zwarte vlekken op de flanken. Buiten de broedtijd zijn kop en mantel bruin met zwarte schubtekening, en het zwart komt door slijtage van de veerranden pas in het voorjaar tevoorschijn. In elk kleed en op elke leeftijd valt de scherp begrensde witte stuit op, zichtbaar zodra de vogel wegvliegt, en is de staart kort en gevorkt. Het vrouwtje is doffer, met een grijzere kop en twee donkere strepen over de zijkruin.

Verwarrings­soorten

De vink, de naaste verwant, heeft een groene stuit in plaats van wit, een rozebruine in plaats van oranje borst en witte schouderstrepen. De sneeuwgors in winterkleed heeft veel meer wit in de vleugel en geen oranje. Amerikaanse waarnemers verwarren een keep vooral met een zomertangare of een goudsijs aan de voedertafel; de combinatie van oranje borst, oranje schouderveld, zwarte flankvlekken en witte stuit sluit die alle uit.

Leefgebied

Broedt in open naald- en berkenbos van de taiga en in struweel aan de boomgrens. Buiten de broedtijd is hij gebonden aan zaadrijke loofbossen — vooral beuk — en aan stoppelvelden, akkerranden en tuinen met voederplaatsen. In Alaska worden de vogels gezien op de kale eilandhellingen en in dorpstuintjes, waar dekking en zaad schaars zijn en een groep zich dagenlang bij één plek kan ophouden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied beslaat Noord-Eurazië van Scandinavië tot Kamtsjatka; overwinterd wordt in Zuid-Europa, Noord-Afrika, Zuid- en Oost-Azië. Over de Beringzee bereikt hij jaarlijks in klein aantal West-Alaska: de westelijke Aleoeten, Sint-Laurenseiland, de Pribilofeilanden en de kust bij Nome, vooral in mei en opnieuw in september en oktober. Een deel van die vogels trekt verder door: er zijn verspreide winterwaarnemingen uit Brits-Columbia, de noordelijke Verenigde Staten en Zuid-Canada, meestal enkelingen aan een voedertafel.

Waar en wanneer kijken

Op de Aleoeten is eind mei de beste kans, wanneer aanhoudende westenwind trekvogels van de Aziatische kust meebrengt. Elders op het continent gaat het vrijwel altijd om één vogel tussen huismussen of goudsijzen bij een voederhuisje: scan wintergroepen op een vogel met oranje borst, en controleer bij het opvliegen de witte stuit.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op 100 tot 200 miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd (LC), al wijst de trend omlaag. De aantallen schommelen van jaar tot jaar sterk met de beukenmast in het winterkwartier, waardoor slaapplaatsen van miljoenen vogels het ene jaar wel en het andere jaar niet ontstaan. Voor het voorkomen in Noord-Amerika is geen beheer aan de orde; het gaat om dwaalvogels aan de rand van een groot Euraziatisch areaal.

Wetenschappelijke naam

Fringilla montifringilla | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla montifringilla, en omdat ze nog altijd in dat geslacht staat, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Fringilla is het Latijnse woord voor vink; de soortnaam voegt daar mons 'berg' aan toe, dus 'bergvink'. Het Nederlandse keep en het Engelse brambling zijn oude volksnamen waarvan de herkomst onzeker is; met braamstruiken heeft brambling niets te maken. Het typemateriaal kwam uit Zweden.